wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Kennisbasis deel 1

Total questions: 20

Worksheet time: 10mins

Name
Class
Date
1.

A4

Drie cellen in het lichaam van een volwassen man worden met elkaar vergeleken: een spermacel, een spiercel en een zenuwcel.

In welke van deze cellen kan het Y-chromosoom ontbreken?

a)

in geen van deze cellen

b)

alleen in de spermacel

c)

alleen in de zenuwcel

d)

in de spiercel en zenuwcel

2.

A4

Ratten en mensen zijn zoogdieren. De bouw van een celkern is bij alle zoogdieren in principe gelijk.

Van een bruine rat bevatten bepaalde cellen per kern in totaal 21 verschillende chromosomen.

Zijn deze cellen geslachtscellen of lichaamscellen? Of is dat niet te zeggen?

a)

geslachtscellen

b)

lichaamscellen

c)

dat is niet te zeggen

3.

A4

Bij welk proces treedt bij de meeste dieren meiose op?

a)

bij de bevruchting

b)

bij de vorming van geslachtscellen

c)

bij ongeslachtelijke voortplanting

d)

bij de deling van bijvoorbeeld huidcellen

4.

A4

De menselijk cel bevat 46 chromosomen.

Hoeveel chromatiden bevat een menselijke cel maximaal tijdens de mitose?

En hoeveel centromeren bevat een menselijke cel maximaal tijdens de mitose?

a)

46 chromatiden ; 46 centromeren

b)

92 chromatiden ; 46 centromeren

c)

46 chromatiden ; 23 centromeren

d)

92 chromatiden ; 92 centromeren

5.

A5

Een onderzoeker wil experimenten uitvoeren met autotrofe organismen. Hij kan organismen kiezen uit de groepen bacteriën, schimmels en wieren.

Welke organismen kan hij gebruiken?

a)

alle organismen uit de groep wieren en geen uit de andere groepen

b)

alle organismen uit zowel de groep bacteriën als uit de groep schimmels en geen uit de groep wieren

c)

alleen bepaalde organismen uit de groep bacteriën en alle organismen uit de groep wieren; geen uit de groep schimmels

d)

alle organismen uit alle drie de groepen

6.

A5

Welke van onderstaande uitspraken over heterotrofe organismen is juist?

a)

bevat chloroplasten in de cellen

b)

staat aan het begin van de voedselketen

c)

heeft andere organismen nodig voor voedsel

d)

kan energierijke stoffen maken uit anorganische stoffen

7.

A5

Autotrofe organismen behoren tot de

a)

producenten

b)

reducenten

c)

consumenten 1e orde

d)

consumenten 2e orde

8.

A5

Welke uitspraak over autotrofe organismen is niet juist?

a)

bevat chloroplasten in de cellen

b)

cellen hebben een celwand

c)

kan energierijke stoffen maken uit anorganische stoffen

d)

heeft andere organismen nodig voor voedsel

9.

A8

Sommige vetplanten, zoals muurpeper, kunnen op zeer warme, droge plaatsen groeien: op rotsen en muren waar de hele dag de zon op staat en alleen 's nachts de temperatuur veel lager is.

Als aanpassing aan dit klimaat is het openings- en sluitingsritme van de huidmondjes van de vetplantjes anders dan bij andere planten.

Wanneer de omstandigheden voor fotosynthese het gunstigst zijn, zijn de huidmondjes dicht. Fotosynthese is dan toch mogelijk doordat de vetplanten extra CO2 opnemen wanneer wel gaswisseling mogelijk is. Het extra CO2 wordt opgeslagen in de vacuolen van de groene cellen.


Wanneer zullen de huidmondjes van deze vetplanten geopend zijn?

a)

alleen overdag

b)

alleen 's nachts

c)

zowel overdag als 's nachts, maar alleen bij hoge luchtvochtigheid

10.

A8

In een experiment wordt de invloed van koolstofdioxide op de ontkieming en ontwikkeling van bonen onderzocht. De bonen ontkiemen in een afgesloten ruimte. Deze ruimte is groot genoeg voor volwassen bonenplanten. Vanaf de tweede dag na het verschijnen van de worteltjes wordt de ruimte voortdurend geventileerd met lucht die geen koolstofdioxide bevat. De verdere omstandigheden zijn optimaal voor de groei en ontwikkeling van de bonenplanten.


Kunnen de bonen zich vanaf dat moment verder ontwikkelen? Zo ja tot welk stadium?

a)

Nee, de bonen kunnen zich niet verder ontwikkelen.

b)

Ja, de bonen kunnen zich verder ontwikkelen totdat het reservevoedsel in de zaadlobben is verbruikt

c)

Ja, de bonen kunnen zich verder ontwikkelen tot volwassen planten, tot het stadium dat ze gaan bloeien.

d)

Ja, de bonen kunnen zich verder ontwikkelen tot volwassen planten die bloeien en bonen vormen.

11.

A8

Wat is de juiste reactievergelijking voor fotosynthese?

a)

Water en koolstofdioxide wordt onder invloed van zonlicht omgezet in glucose en zuurstof

b)

Water en zuurstof wordt onder invloed van zonlicht omgezet in glucose en koolstofdioxide

c)

Glucose en zuurstof wordt onder invloed van zonlicht omgezet in water en koolstofdioxide

d)

Koolstofdioxide en zuurstof wordt onder invloed van zonlicht omgezet in glucose en water

12.

A8

Hieronder staan onderdelen van een plant genoemd. In welk onderdeel van de plant kan GEEN fotosynthese plaatsvinden?

a)

stengel

b)

bladrand

c)

wortels

d)

bloemknop

13.

B4

Iemand, die in staat is zijn tong op te rollen is in het bezit van het allel R. Een persoon die zijn tong niet kan oprollen (rr) heeft twee zusters, die dit wel kunnen. Zijn beide ouders kunnen dit ook.


Welke genotypen van de ouders en de zusters zijn dan mogelijk?

a)

Ouders RR en Rr, zusters RR en/of Rr.

b)

Ouders Rr en Rr, zusters alleen RR.

c)

Ouders RR en Rr, zusters alleen Rr.

d)

Ouders Rr en Rr, zusters RR en/of Rr.

14.

B4

Sommige planten zijn niet in staat bladgroen te vormen. Dit zogenaamde albinisme berust op de aanwezigheid van een recessief allel. Bij een tabaksplant die heterozygoot is voor deze eigenschap treedt zelfbestuiving op. Er ontstaan 600 zaden. Na kieming ontstaan hieruit kiemplanten.


Hoeveel van deze kiemplanten zullen naar verwachting albino zijn?

a)

0

b)

150

c)

300

d)

600

15.

B4

Bij de fruitvlieg is het gen voor grijze lichaamskleur (G) dominant over het gen voor zwarte lichaamskleur (g).


Twee vliegen werden gekruist en kregen 158 grijze en 49 zwarte nakomelingen. Hoe is de erfelijke aanleg van deze ouders?

a)

GG en GG

b)

Gg en Gg

c)

GG en gg

d)

GG en Gg

16.

B4

Een kind van twee gezonde ouders heeft een erfelijke aandoening. Het allel voor deze erfelijke aandoening moet dus aanwezig zijn bij de ouders. De ziekte is niet X-chromosomaal.

Erft deze erfelijke ziekte dominant of recessief over of is dit niet te bepalen?

a)

dominant

b)

recessief

c)

niet te bepalen

17.

D3

In de afbeelding is een evolutionaire stamboom te zien van zowel een aantal uitgestorven als van nu nog levende katachtigen.

Welke nu nog levende katachtige is volgens deze stamboom het meest verwant aan de Poema?

a)

de Cheeta

b)

de Europese Lynx

c)

de Huiskat

d)

de Jaguar

18.

D3

In de afbeelding wordt de ontwikkeling van varkensachtige weergegeven volgens de evolutietheorie.

Hoeveel soorten varkensachtigen waren er aan het eind van het oligoceen?

a)

3

b)

5

c)

7

d)

9

19.

D3

Bart vindt op internet een stamboom die de afstamming weergeeft van apen en halfapen volgens de evolutietheorie (zie afbeelding).

Aan welke groep zijn de gorilla's het meest verwant volgens de stamboom?

a)

Chimpansees

b)

Gibbons

c)

Oerang-oetans

d)

Halfapen

20.

D3

In welke periode was, volgens de afbeelding, het grootste aantal amfibieën aanwezig?

a)

het Devoon

b)

het Carboon

c)

het Jura

d)

het Neozoïcum