NEW
Font size
WorksheetsWerkwoordspelling
Total questions: 25
Worksheet time: 12mins
Jij (verwaarlozen) de vriendschap
verwaarloost
verwaarloosd
verwaarloosdt
Hij gelooft dat jij hem leugens (vertellen)
verteldt
vertelt
verteld
Hij (wachten v.t.) heel lang op hem.
wachte
wachtte
wachten
wacht
(Verzenden) je broer het pakketje nog een keer?
verzend
verzendt
verzond
verzenden
De helikopter (landen v.t.) op het eiland.
Landt
land
landde
lande
Zij (verplegen t.t.) hem al twee maanden.
verpleegd
verpleegt
verpleegte
verpleegde
Wij rekenen er op dat iedereen de club (ondersteunen)
Ondersteund
ondersteunt
ondersteunen
ondersteundt
Het elftal (strijden v.t.) voor de zege.
Strijdt
strijd
streed
streedt
(Beantwoorden) jij dit vraag nog?
Beantwoordt
Beantwoord
Beantwoordde
Beantwoorde
De kinderen (lachten v.t.) toen hij weer eens (morsen v.t.)
lachden, morste
lachten, morstte
lachten, morste
lachden, morstte
Hoe lang (branden) die kaars al?
brand
brandt
brandde
brandte
Ik (vermoeden v.t.) dat al.
vermoed
vermoedte
vermoedde
vermoede
Hij (verbazen) zich er niet over.
verbaast
verbaasd
verbaasdt
verbaasde
Wij (zwerven) door de straten.
zwerfen
zwerven
zworven
zworfen
De jongen (vergroten v.t.) zijn voorsprong.
vergroote
vergrote
vergrootte
vergrotte
Mijn moeder (hechten v.t.) veel waarde aan haar medaillon.
hecht
hechte
hechtte
hacht
Mijn scooter (starten) vanmorgen niet.
start
starte
startte
startten
Wij (melden) ons vorige week al vroeg.
melde
melden
meldde
meldden
Mijn moeder (braden) het vlees.
braad
braadt
braadde
braade
Jij (braden) het vlees.
braadt
braadde
braad
brade
(Braden) jij het vlees?
braad
braadt
braade
braadde
De storm (verwoesten v.t.) ons tuinhuisje.
verwoeste
verwoestte
verwoesten
verwoestten
Hij (bekleden) de stoel opnieuw.
bekleed
bekleede
bekleedde
bekleedt
Ik (beven) enorm toen ik zag wat er gebeurde
beefte
beefde
beevde
beevte
Gisteren heb ik mijn kamer (verven).
gevervt
geverft
gevervd
geverfd
