wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Werkwoordspelling

Total questions: 25

Worksheet time: 12mins

Name
Class
Date
1.

Jij (verwaarlozen) de vriendschap

a)

verwaarloost

b)

verwaarloosd

c)

verwaarloosdt

2.

Hij gelooft dat jij hem leugens (vertellen)

a)

verteldt

b)

vertelt

c)

verteld

3.

Hij (wachten v.t.) heel lang op hem.

a)

wachte

b)

wachtte

c)

wachten

d)

wacht

4.

(Verzenden) je broer het pakketje nog een keer?

a)

verzend

b)

verzendt

c)

verzond

d)

verzenden

5.

De helikopter (landen v.t.) op het eiland.

a)

Landt

b)

land

c)

landde

d)

lande

6.

Zij (verplegen t.t.) hem al twee maanden.

a)

verpleegd

b)

verpleegt

c)

verpleegte

d)

verpleegde

7.

Wij rekenen er op dat iedereen de club (ondersteunen)

a)

Ondersteund

b)

ondersteunt

c)

ondersteunen

d)

ondersteundt

8.

Het elftal (strijden v.t.) voor de zege.

a)

Strijdt

b)

strijd

c)

streed

d)

streedt

9.

(Beantwoorden) jij dit vraag nog?

a)

Beantwoordt

b)

Beantwoord

c)

Beantwoordde

d)

Beantwoorde

10.

De kinderen (lachten v.t.) toen hij weer eens (morsen v.t.)

a)

lachden, morste

b)

lachten, morstte

c)

lachten, morste

d)

lachden, morstte

11.

Hoe lang (branden) die kaars al?

a)

brand

b)

brandt

c)

brandde

d)

brandte

12.

Ik (vermoeden v.t.) dat al.

a)

vermoed

b)

vermoedte

c)

vermoedde

d)

vermoede

13.

Hij (verbazen) zich er niet over.

a)

verbaast

b)

verbaasd

c)

verbaasdt

d)

verbaasde

14.

Wij (zwerven) door de straten.

a)

zwerfen

b)

zwerven

c)

zworven

d)

zworfen

15.

De jongen (vergroten v.t.) zijn voorsprong.

a)

vergroote

b)

vergrote

c)

vergrootte

d)

vergrotte

16.

Mijn moeder (hechten v.t.) veel waarde aan haar medaillon.

a)

hecht

b)

hechte

c)

hechtte

d)

hacht

17.

Mijn scooter (starten) vanmorgen niet.

a)

start

b)

starte

c)

startte

d)

startten

18.

Wij (melden) ons vorige week al vroeg.

a)

melde

b)

melden

c)

meldde

d)

meldden

19.

Mijn moeder (braden) het vlees.

a)

braad

b)

braadt

c)

braadde

d)

braade

20.

Jij (braden) het vlees.

a)

braadt

b)

braadde

c)

braad

d)

brade

21.

(Braden) jij het vlees?

a)

braad

b)

braadt

c)

braade

d)

braadde

22.

De storm (verwoesten v.t.) ons tuinhuisje.

a)

verwoeste

b)

verwoestte

c)

verwoesten

d)

verwoestten

23.

Hij (bekleden) de stoel opnieuw.

a)

bekleed

b)

bekleede

c)

bekleedde

d)

bekleedt

24.

Ik (beven) enorm toen ik zag wat er gebeurde

a)

beefte

b)

beefde

c)

beevde

d)

beevte

25.

Gisteren heb ik mijn kamer (verven).

a)

gevervt

b)

geverft

c)

gevervd

d)

geverfd