wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Herhaling trede 21 klas 3

Total questions: 54

Worksheet time: 29mins

Name
Class
Date
1.
Wat is het werkwoordelijk gezegde in de volgende zin: De fietser is van zijn fiets gevallen.
a)
is gevallen
b)
de fietser
c)
van zijn fiets
2.
Heb jij mij dat boek al gegeven?
Wat is het lijdend voorwerp in deze zin?
a)
jij
b)
dat boek
c)
mij
d)
Heb
3.
Ik heb het boek al aan Peter gegeven.
Wat is het meewerkend voorwerp in deze zin?
a)
het boek
b)
Ik
c)
aan Peter
d)
gegeven
4.
Hij heeft de fiets voor zijn verjaardag gekregen.
Wat is het lijdend voorwerp in deze zin?
a)
Hij
b)
voor zijn verjaardag
c)
de fiets
d)
gekregen
5.
Ik heb mijn boeken thuis laten liggen.
Wat is de bijwoordelijke bepaling in deze zin?
a)
Ik
b)
mijn boeken
c)
thuis
d)
heb laten liggen
6.
Het nieuwe boek van Carry Slee is een mislukking.
Wat is het naamwoordelijk gezegde?
a)
Het nieuwe boek
b)
van Carry Slee
c)
mislukking
d)
is een mislukking
7.
Vanmiddag  gaan we voetballen in het park.
Wat is de bijwoordelijke bepaling in de zin?
a)
Vanmiddag
b)
gaan voetballen
c)
Vanmiddag en in het park
d)
voetballen en in het park
8.
Ik ga vanavond niet tennissen, want ik houd meer van voetbal.
Wat is de hoofdzin?
a)
Ik ga vanavond niet tennissen
b)
want ik houd meer van voetbal
9.
Wie de wedstrijd wint, wordt clubkampioen.
Wat is de hoofdzin?
a)
Wie de wedstrijd wint
b)
Wordt clubkampioen
10.

Gisteren stond mijn fiets in de schuur. Deze zin heeft ...

a)

1 bijwoordelijke bepaling

b)

2 bijwoordelijke bepalingen

c)

geen bijwoordelijke bepaling

11.

Mevrouw Van Os geeft Mark een groene knuppel. Het mv is ...

a)

Mevrouw Van Os

b)

Mark

c)

een groene knuppel

d)

Deze zin heeft geen mv.

12.
Heeft de volgende zin een naamwoordelijk gezegde?   - Na het maken van zijn eerste en enige doelpunt ooit werd Freddy gretig besprongen door zijn teamgenoten.
a)
Nee, werkwoordelijk gezegde 
b)
Ja, 'werd besprongen' 
c)
Ja, 'werd gretig besprongen'
13.
Benoem wg of ng bij de volgende zin:hij blijkt een geheimzinnige man te zijn
a)
wg: blijkt een geheimzinnige man te zijn
b)
wg: blijkt te zijn
c)
ng: blijkt een geheimzinnige man te zijn
d)
ng: blijkt te zijn
14.
wat staat er in de volgende zin voor gezegde?We zijn gisteren vroeg opgestaan
a)
ng: zijn vroeg opgestaan
b)
ng: zijn opgestaan
c)
wg; zijn opgestaan
d)
wg: zijn vroeg opgestaan
15.

wat is het naamwoordelijk deel in de volgende zin:
Hij is gisteren van zijn fiets gevallen
a)
gevallen
b)
van zijn fiets
c)
is gevallen
d)
het is geen naamwoordelijk gezegde, dus geen naamwoordelijk deel
16.
waar bestaat het ng uit?
a)
pv + naamwoordelijk deel + overige werkwoorden
b)
pv + naamwoordelijk deel
c)
pv + overige werkwoorden
d)
pv + ow + naamwoordelijk deel + overige werkwoorden
17.
We hebben in Amsterdam gewinkeld en we hebben veel leuke kleren gekocht.
a)
enkelvoudig
b)
hoofdzin - hoofdzin
c)
hoofdzin - bijzin
d)
bijzin - hoofdzin
18.
Ik zet koffie terwijl jij de vaatwasser inruimt.
a)
enkelvoudig
b)
hoofdzin - hoofdzin
c)
hoofdzin - bijzin
d)
bijzin - hoofdzin
19.
Omdat het zo hard regende, werd Piet met de auto naar school gebracht.
a)
enkelvoudig
b)
hoofdzin - hoofdzin
c)
hoofdzin - bijzin
d)
bijzin - hoofdzin
20.
Sjoerd heeft een nieuwe camera, want zijn oude was op de grond gevallen.
a)
enkelvoudig
b)
hoofdzin - hoofdzin
c)
hoofdzin - bijzin
d)
bijzin - hoofdzin
21.
Ik ging met de bus naar school omdat mijn fiets gestolen was.
a)
enkelvoudig
b)
hoofdzin - hoofdzin
c)
hoofdzin - bijzin
d)
bijzin - hoofdzin
22.
Terwijl de bewoners aan het slapen waren, werd er ingebroken.
a)
enkelvoudig
b)
hoofdzin - hoofdzin
c)
hoofdzin - bijzin
d)
bijzin - hoofdzin
23.
Doordat hij spiekte, kreeg hij een onvoldoende.
a)
enkelvoudig
b)
hoofdzin - hoofdzin
c)
hoofdzin - bijzin
d)
bijzin - hoofdzin
24.
In het verleden bewerkten de boeren het land door het om te ploegen met houten werktuigen.
a)
enkelvoudig
b)
hoofdzin - hoofdzin
c)
hoofdzin - bijzin
d)
bijzin - hoofdzin
25.
De verontwaardigde klant kreeg een drankje, zodat hij tevreden het café verliet.
a)
enkelvoudig
b)
hoofdzin - hoofdzin
c)
hoofdzin - bijzin
d)
bijzin - hoofdzin
26.
Na jaren van grondig onderzoek was de onderzoeker eindelijk tot een oplossing gekomen, waardoor hij op slag beroemd werd.
a)
enkelvoudig
b)
hoofdzin - hoofdzin
c)
hoofdzin - bijzin
d)
bijzin - hoofdzin
27.
In mijn vrije tijd houd ik me bezig met het maken van schilderen en knutselwerkjes.
a)
enkelvoudig
b)
hoofdzin - hoofdzin
c)
hoofdzin - bijzin
d)
bijzin - hoofdzin
28.
Omdat hij niet wilde verdwalen, strooide Klein Duimpje steentjes op het pad.
a)
Hoofdzin + Hoofdzin
b)
Bijzin + Bijzin
c)
Hoofdzin + Bijzin
d)
Bijzin + Hoofdzin
29.
Zodra de heks bij de toren kwam, moest Rapunzel haar vlechten laten zakken.
a)
Hoofdzin + Hoofdzin
b)
Bijzin + Bijzin
c)
Hoofdzin + Bijzin
d)
Bijzin + Hoofdzin
30.
De molenaarsdochter vroeg aan Repelsteeltje of hij uit vlas misschien gouddraad kon spinnen.
a)
Hoofdzin + Hoofdzin
b)
Bijzin + Bijzin
c)
Hoofdzin + Bijzin
d)
Bijzin + Hoofdzin
31.
* Zelfstandigen hebben het op hun oude dag niet breed, tenzij ze sparen voor extra pensioen boven op hun AOW-uitkering.
a)
Hoofdzin + Hoofdzin
b)
Bijzin + Bijzin
c)
Hoofdzin + Bijzin
d)
Bijzin + Hoofdzin
32.
* Als je zingt, gebruik je zowel je mondholte als je stembanden.
a)
Hoofdzin + Hoofdzin
b)
Bijzin + Bijzin
c)
Hoofdzin + Bijzin
d)
Bijzin + Hoofdzin
33.
* Zodra de politie arriveerde, vluchtten de inbrekers door de achtertuin.
a)
Hoofdzin + Hoofdzin
b)
Bijzin + Bijzin
c)
Hoofdzin + Bijzin
d)
Bijzin + Hoofdzin
34.
Bij een ik-perspectief is de 'ik' zowel personage als verteller.
a)
Niet waar
b)
Waar
35.
Wat houdt een meervoudig perspectief in?
a)
Het zijn meerdere verhalen door elkaar heen
b)
Het is erg ingewikkeld
c)
Er zijn meerdere personages verteller
d)
De verteller weet alles over alle personages
36.
De alwetende verteller weet alles van ieder personage in het verhaal.
a)
Waar
b)
Niet waar
37.
Vertelinstanties zijn altijd betrouwbaar.
a)
Waar
b)
Niet waar
38.
Vul de persoonsvorm tegenwoordige tijd in (PVTT).Het (gebeuren) .......... zelden dat jij je mond houdt.
a)
gebeurd
b)
gebeurt
c)
gebeurdt
d)
gebeurde
39.
Vul de persoonsvorm tegenwoordige tijd in (PVTT).De arts (verbinden) ............ zijn knie.
a)
verbindt
b)
verbint
c)
verbond
d)
verbind
40.
Vul de persoonsvorm tegenwoordige tijd in (PVTT).Zijn baas (communiceren) ......... niet erg duidelijk.
a)
communiceerd
b)
communiceerdt
c)
communiceert
d)
communiceertt
41.
Vul de persoonsvorm verleden tijd in (PVVT).Toen (ontpitten) .......... ik ze vakkundig.
a)
ontpite
b)
ontpitte
c)
ontpitten
d)
ontpit
42.
Vul de persoonsvorm verleden tijd in (PVVT).De smaak (verrassen) ..... me heel erg.
a)
verraste
b)
verraste
c)
verrastte
d)
verrasste
43.
Vul het juiste voltooid deelwoord (VD) of tegenwoordig deelwoord (TD) in.Wij zijn (verhuizen) .... naar Amsterdam.
a)
verhuist
b)
verhuisd
c)
verhuizt
d)
verhuizd
44.
Vul het juiste voltooid deelwoord (VD) of tegenwoordig deelwoord (TD) in.(gieren) ........ van het lachen liep ik naar huis.
a)
Gierent
b)
Gierend
c)
Gerend
d)
Gillend
45.
Vul het juiste bijvoeglijke naamwoord (BN) in.De (tentoonstellen) ....... schilderijen zijn erg kostbaar. 
a)
tentoongesteldde
b)
tentoongestelde
c)
tentongestelde
d)
tentoongestelte
46.
Vul het juiste bijvoeglijke naamwoord (BN) in.Er hingen ook (uitvergroten) .......... foto's.
a)
uitvergrote
b)
uitvergrootte
c)
uitvergrotte
d)
uitvergroote
47.
Vul de juiste vorm in.Ahmed heeft gisteren zijn kamer ...... (stofzuigen).
a)
gezogen
b)
gestofzuigt
c)
stof gezogen
d)
gestofzuigd
48.
Vul de juiste vorm in. Hij (gamen) ..... de hele dag door.
a)
gamt
b)
gamet
c)
gamed
d)
gammet
49.
Vul de juiste vorm in.Hij (googelen) ...... alles wat hij niet weet.
a)
googelt
b)
googlet
c)
googled
d)
googeld
50.
Waar (vinden) je tegenwoordig nog zoiets?
a)
vind
b)
vint
c)
vindt
51.
Ik vind het belangrijk dat je me (vertrouwen).
a)
vertrouwd
b)
vertrouwt
c)
vertrouwdt
52.
De (landen) vliegtuigen worden eerst grondig schoongemaakt.
a)
gelande
b)
gelandde
c)
gelanden
d)
gelandden
53.
Deze arts (behandelen) wel dertig patiënten op een dag.
a)
behandeld
b)
behandelt
c)
behandeldt
54.
Het is goed dat je me dit (vertellen).
a)
verteld
b)
vertelt
c)
verteldt