wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

ecologie 3vwo b 1 t/m b10 + extra basisstof BVJ

Total questions: 115

Worksheet time: 3600secs

Name
Class
Date
1.

De larve van de nachtvlinder heeft een groot aantal bacteriën in zijn verteringskanaal. Deze bacteriën spelen een belangrijke rol bij de vertering van het voedsel van de larven.

Met welke biologische term wordt de relatie tussen de larve en de bacteriën aangeduid?

a)

commensalisme

b)

mutualisme

c)

parasitisme

d)

predatie

2.

Aan vier leerlingen wordt gevraagd een voorbeeld te noemen van een ecosysteem. Zij geven de volgende voorbeelden.

Leerling 1: alle abiotische factoren in een bepaald heidegebied.

Leerling 2: alle dieren die in Nederland leven, in samenhang met de plantengroei.

Leerling 3: alle eekhoorns in een loofbos, in samenhang met de bomen.

Leerling 4: alle organismen die in een bepaald meertje leven, in samenhang met de abiotische factoren.

a)

leerling 1

b)

leerling 2

c)

leerling 3

d)

leerling 4

3.

Biotische factoren zijn

a)

invloeden afkomstig van de levenloze natuur

b)

invloeden afkomstig van de levende natuur

c)

invloeden afkomstig van zon, wind, water

4.

Wat is de definitie van een populatie

a)

een groep individuen van verschillende soorten in een bepaald gebied

b)

een groep organismen in een bepaald gebied

c)

een groep individuen van dezelfde soort in een bepaald gebied , die zich onderling voortplanten

d)

een groep individuen die veel op elkaar lijken

5.

In de afbeelding zijn de relaties tussen producenten, consumenten en reducenten schematisch weergegeven.

Op een bepaald moment wordt het water van een sloot vervuild met organische stoffen.

Zal daardoor als eerste een toename optreden van het aantal consumenten, van het aantal producenten of van het aantal reducenten in deze sloot?

a)

consumenten

b)

reducenten

c)

producenten

6.

Waar of niet waar.

Binnen een bepaald gebied leven populaties van verschillende soorten. Deze populaties vormen samen een levensgemeenschap.

a)

waar

b)

niet waar

7.

Wat is een biotoop?

a)

Alle biotische factoren bij elkaar in een bepaald gebied

b)

Alle abiotische factoren bij elkaar in een bepaald gebied

c)

Alle biotische en abiotische factoren in een bepaald gebied

8.

Een bos bestaat uit populaties van eiken, beuken, adelaarsvaren, regenwormen, spitsmuizen, koolmezen, vossen en nog veel meer soorten.

Is hier sprake van een levensgemeenschap?

a)

ja

b)

nee

9.

Een belangrijk prooidier van de torenvalk is de woelmuis. Woelmuizen laten in hun leefgebied geursporen achter die bestaan uit urine en uitwerpselen. De achterste delen van hun lichaam zijn meestal doorweekt met urine. De urine van de woelmuizen weerkaatst UV-licht. Torenvalken kunnen in tegenstelling tot mensen UV-licht waarnemen. Verondersteld wordt dat torenvalken daardoor in korte tijd een groot gebied onderzoeken op de aanwezigheid van woelmuizen.

Welke van de onderstaande biologische termen is van toepassing op de relatie tussen torenvalk en woelmuis?

a)

concurrentie

b)

symbiose

c)

predatie

10.

Wat is een ecosysteem?

a)

Een bepaald gebied waar biotische factoren een eenheid vormen

b)

Een bepaald gebied waar populaties en biotische factoren een eenheid vormen

c)

Een bepaald gebied waar biotische en abiotische factoren een eenheid vormen

d)

een bepaald gebied waar alle abiotische factoren een eenheid vormen

11.

Welke onderstaande factor is abiotisch?

a)

predator

b)

parasiet

c)

zuurgraad

d)

prooidier

12.

Welke factor is biotisch?

a)

reducent

b)

waterdiepte

c)

bodemvochtigheid

d)

grondsoort

13.

Welke organismen zijn in staat om de stikstof uit nitraat op te nemen in organische verbindingen?

a)

alleen dieren

b)

alleen planten

c)

zowel planten als dieren

14.

Nitraatbacteriën zetten….

a)

ammonium om in nitraat

b)

nitriet om in nitraat

c)

nitraat om in nitriet

d)

nitraat om in ammonium

15.

Doordat in de plantenwortels nitraat weer wordt omgezet in ammonium(NH4) kan de plant samen met 2 oxoglutaarzuur het basisaminozuur glutaminezuur vormen. Hoe heet dit proces

a)

transaminering

b)

aminering

c)

fotosynthese

d)

voortgezette assimilatie

16.

Welke abiotische factoren zijn er nodig om fotosynthese te kunnen laten plaatsvinden?

a)

zonlicht, glucose, 6H2O, en 6CO2

b)

zonlicht, H2O en 6CO2

c)

zonlicht , 6H2O en 6CO2

d)

zonlicht, warmte en water

17.

essentiële aminozuren kunnen wij zelf maken

a)

waar

b)

niet waar

18.

Eiwitten bestaan uit aminozuren. Uit welke atomen bestaan eiwitten?

a)

C, O en H-atomen

b)

C, H, O en N-atomen

c)

C, N en O-atomen

d)

N en O-atomen

19.

Hoe heten organismen die zelf organische stoffen kunnen vormen?

a)

heterotrofe organismen

b)

autotrofe organismen

20.

Hoe ziet het proces van voortgezette assimilatie eruit?

a)

glucose + O2 > andere koolhydraten, eiwitten en vetten

b)

glucose + voedingszouten > andere koolhydraten, eiwitten en vetten

c)

glucose + O2 > CO2 + H2O + energie

d)

glucose + voedingszouten > CO2 + H2O + energie

21.

Zetmeel bestaat uit meervoudig koolhydraten(suikers).Meervoudige koolhydraten moeten eerst verteerd worden.

a)

waar

b)

niet waar

22.

enkelvoudige onverzadigde vetzuren bestaan uit

a)

een enkelvoudige binding tussen de C-atomen

b)

een dubbele binding tussen de C-atomen

c)

meerdere enkelvoudige bindingen tussen de C-atomen

d)

meerdere dubbele bindingen tussen de C-atomen

23.

Enkelvoudig en meervoudig onverzadigde vetzuren kan ons lichaam zelf maken

a)

waar

b)

niet waar

24.

Welke anorganische stof hebben planten nodig om eiwit te maken

a)

zuurstof(O2)

b)

koolstofdioxide(CO2)

c)

(nitraat)NO3-

d)

koolstofmonoxide(CO)

25.

De vos is

a)

een producent

b)

reducent

c)

consument 1e orde

d)

consument 2e orde

26.

De bladluis is

a)

een producent van 1e orde

b)

een consument van de 2e orde

c)

een consument van de 1e orde

d)

een reducent van de 1e orde

27.

In de afbeelding zie je dat de kikker zich voedt met verschillende organismen. De kikker kan een

a)

consument van de 1e en 2e orde zijn

b)

consument van de 2e en 3e orde zijn

c)

een producent en een consument van de 1e orde zijn

d)

een consument van de 3e en 4e orde zijn

28.

De havik staat boven aan de voedselketen waarin ook vlinders zitten. De havik is dan

a)

een consument van 5e orde

b)

een consument van de 3e orde

c)

een consument van de 4e orde

d)

een reducent

29.

In welke stoffen zetten reducenten dode resten van organismen om?

a)

H2O en CO2

b)

In CO2 en voedingszouten(mineralen)

c)

In voedingszouten(mineralen), H2O en CO2

d)

Alleen in voedingszouten

30.

Wat is condensatie?

a)

waterdamp verandert in waterdruppels doordat de temperatuur hoog in de lucht warmer is dan dicht bij het aardoppervlak

b)

water uit de zee verdampt en vormt wolken

c)

waterdamp verandert in waterdruppels doordat de temperatuur hoog in de lucht kouder is dan dicht bij het aardoppervlak

d)

water uit de rivieren verdampt en vormt wolken

31.

Hoe noemen we deze kringloop?

a)

koolstofkringloop

b)

stoffenkringloop

c)

stikstofkringloop

32.

In de afbeelding zie je de stikstof kringloop. Wat stelt nummer 1 voor

a)

nitraat

b)

stikstofbindende bacteriën

c)

stikstof

d)

rottingsbacteriën

33.

Wat stelt nummer 6 voor

a)

plantaardige eiwitten

b)

uitwerpselen

c)

dierlijke eiwitten

d)

ammonium

34.

Wat stelt nummer 3 voor

a)

rottingsbacteriën

b)

stikstofbindende bacteriën

c)

dode resten van dieren en uitwerpselen

35.

In deze afbeelding is er sprake van

a)

parasitisme

b)

commensalisme

c)

mutualisme

36.

Wanneer soorten hetzelfde voedsel hebben in een voedselweb is er sprake van

a)

dualisme

b)

concurrentie

c)

commensalisme

d)

predatie

37.

Door insecticiden gaan heel veel sprinkhanen dood. Welke dieren lopen hierdoor het meest in aantal terug

a)

De kikkers

b)

de vogels

c)

de kikkers en de dassen

d)

de vogels en de slangen

38.

Welk voorbeeld van een voedselketen klopt?

a)

Eik-->koolmeesje-->rups-->marter

b)

lijsterbes-->kikker-->havik-->slang

c)

Eik-->rups-->koolmeesje-->marter

d)

gras-->lieveheersbeestje-->merel-->vos

39.

In welke kringloop hoort waterdamp?

a)

stikstofkringloop

b)

koolstofkringloop

c)

waterkringloop

d)

papierkringloop

40.

wat is biodiversiteit?

a)

Het aantal verschillende soorten

b)

dieren in een gebied

c)

het aantal verschillende soorten in een gebied

d)

een gebied met dieren

41.

Een merel is een alleseter. Hoe noem je een alleseter en tot welke orde hoort hij?

a)

Herbivoor, 1ste orde

b)

herbivoor, maakt niet uit

c)

omnivoor, 1ste orde

d)

omnivoor, maakt niet uit

42.

wat betekend autotroof?

a)

ander voeden

b)

bacteriën voeden

c)

zelf voeden

d)

zelfde soort voeden

43.

Hoe staat het pijltje in de voedselketen?

a)

van prooi naar jager

b)

van jager naar prooi

c)

naar boven, autotroof voedend

d)

schuin omhoog, abiotische afvaleters

44.

Wat hebben planten nodig om eiwitten te maken?

a)

Glucose

b)

fotosynthese

c)

stikstofzouten

d)

koolstofdioxide

45.

Wat gebeurt er met de dode resten van planten in de stikstofkringloop?

a)

die lopen weg

b)

worden afgebroken in stikstofzouten

c)

er gebeurt verder niks

d)

ze verdwijnen

46.

Hoe gaat de kringloop van water?

a)

verdamping-->condensatie-->waterdamp-->neerslag

b)

waterdamp-->neerslag-->condensatie-->verdamping

c)

neerslag-->condensatie-->verdamping-->condensatie

d)

verdamping-->waterdamp-->condensatie-->neerslag

47.

Wat is het verschil tussen biotische en a-biotische factoren?

a)

geen verschil

b)

Biotisch=levend, a-biotisch=niet levend

c)

biotisch=dood, a-biotisch is levenloos

d)

biotisch=niet levend, a-biotisch is levend

48.

behoort een individu tot...?

a)

levensgemeenschap

b)

populatie

c)

ecosysteem

d)

allemaal

49.
Je ziet hier een voorbeeld van:
a)
een populatie.
b)
een ecosysteem.
c)
een lage biodiversiteit.
d)
een hoge biodiversiteit
50.
Een soortgenoot is een biotische factor.
a)
juist
b)
onjuist
51.
Een prooidier is een abiotische factor.
a)
Juist
b)
Onjuist
52.
De zon is een biotische factor.
a)
juist
b)
onjuist
53.
In deze afbeelding zie je een:
a)
levensgemeenschap
b)
individu
c)
biotoop
d)
populatie
54.
Hoe noem je alle abiotische factoren samen?
a)
ecosysteem
b)
bioom
c)
biotoop
d)
biosfeer
55.
Hoe noem je alle biotische en abiotische factoren samen?
a)
ecosysteem
b)
bioom
c)
biotoop
d)
biosfeer
56.
Hoe noem je alle biotische factoren samen.
a)
ecosysteem
b)
biotoop
c)
levensgemeenschap
d)
niche
57.
Hoe noemen we de dunne laag om de aarde waar leven op kan voorkomen?
a)
bioom
b)
ecosysteem
c)
bioom
d)
biosfeer
58.
Een leeuw is een....
a)
herbivoor
b)
omnivoor
c)
carnivoor
59.
Een herbivoor is een ....
a)
alleseter.
b)
planteneter.
c)
vleeseter.
60.
Lijsterbes-sprinkhaan-kikker-slang vormen een voedselketen.
a)
juist
b)
onjuist
61.
De libel is een consument van de 4e orde.
a)
juist
b)
onjuist
62.
Wat is een voedselweb?
a)
Een reeks van eten en gegeten worden.
b)
Alle biotische factoren in een ecosysteem.
c)
Alle voedselrelaties in een ecosysteem.
63.
Hoe noemen we de groene planten in een voedselketen?
a)
autotroof
b)
heterotroof
c)
consumenten
d)
producenten
64.
Het koolmeesje is ...
a)
een producent.
b)
een consument van de eerste orde.
c)
een consument van de tweede orde.
d)
een consument van de derde orde.
65.
Hoe noemen we de bacteriën en schimmels in een voedselketen?
a)
afvaleters
b)
consumenten
c)
reducenten
66.
Hoe noemen we deze kringloop?
a)
koolstofkringloop
b)
stikstofkringloop
c)
stoffenkringloop
67.
Producenten zijn...
a)
autotroof
b)
heterotroof
68.
Een rups is ...
a)
autotroof.
b)
een consument van de eerste orde.
c)
omnivoor.
d)
een producent.
69.
Wat ontbreekt er bij nummer 1?
a)
verbranding
b)
fotosynthese
70.
Wat ontbreekt bij nummer 2?
a)
consument
b)
producent
c)
reducent
d)
afvaleters
71.
Wat ontbreekt bij nummer 3?
a)
consument
b)
reducent
c)
producent
d)
afvaleters
72.
Welke energierijke stof wordt gemaakt bij de fotosynthese?
a)
koolstofdioxide
b)
mineralen
c)
glucose
d)
zonlicht
73.
Waarom hebben organismen stikstofzouten nodig?
a)
Ze maken hier koolhydraten van.
b)
Ze maken hier vetten van.
c)
Ze maken hier eiwitten van.
74.
Wat hoort er bij nr 1 te staan?
a)
dierlijke eiwitten
b)
afvalstoffen
c)
verbranding
d)
stikstofzouten
75.
Wat hoort er bij nr 2?
a)
dierlijke eiwitten
b)
afvalstoffen
c)
stikstofzouten
d)
verbranding
76.
Wat voor een soort voedselpiramide zie je hier?
a)
Piramide van aantallen.
b)
Piramide van biomassa.
c)
Piramide van energiedoorstroming.
77.
Welke schakel heeft altijd de grootste biomassa?
a)
consumenten eerste orde
b)
consumenten 2e orde
c)
producenten
78.
Wat voor een voedselpiramide zie je hier?
a)
Piramide van aantallen.
b)
Piramide van biomassa.
c)
Piramide van energiedoorstroming
79.
In een voedselketen wordt de biomassa in elke volgende schakel kleiner.
a)
juist
b)
onjuist
80.
Wat zie je in de afbeelding?
a)
De energiedoorstroom in een ecosysteem.
b)
Een piramide van biomassa.
c)
De zon als energiebron voor leven.
81.
Insecten eten is beter voor de wereldvoedselproblematiek.
a)
juist
b)
onjuist
82.
Binnen een ecosysteem zijn de aantallen organismen van een soort altijd gelijk.
a)
juist
b)
onjuist
83.
In een ecosysteem schommelen de populaties rondom een biologisch evenwicht.
a)
juist
b)
onjuist
84.
In het voorjaar van het derde jaar is er genoeg te eten en krijgen de koolmezen veel jongen.
a)
juist
b)
onjuist
85.
Het proces dat je in de afbeelding ziet noemen we....
a)
aanpassing.
b)
successie.
c)
biologisch evenwicht.
d)
optimaal.
86.
Dit diagram noemen we ook wel een...
a)
minimum-maximumkromme.
b)
staafdiagram.
c)
milieukromme.
d)
optimumkromme.
87.
Boven het maximum en onder het minimum gaan organismen dood.
a)
juist
b)
onjuist
88.
Een eerste ecosysteem op een onbegroeid terrein noemen we een.....
a)
climaxecosysteem.
b)
biologisch evenwicht.
c)
pioniers ecosysteem
89.
Een pioniersecosysteem heeft veel verschillende soorten planten en dieren.
a)
juist
b)
onjuist
90.
Wat is humus?
a)
De niche van afvaleters.
b)
Dode rusten van planten en dieren.
c)
Zand vermengt met klei.
91.
Het tropisch regenwoud is een pioniersecosysteem.
a)
juist
b)
onjuist
92.
Onze Nederlandse bossen zijn climaxecosystemen.
a)
juist
b)
onjuist
93.
Kleigrond is vruchtbaarder dan zandgrond.
a)
juist
b)
onjuist
c)
maakt niet uit
94.
Een opeenvolging van planten- en diersoorten in een gebied noemen we...
a)
een biologisch evenwicht.
b)
een ecosysteem.
c)
successie
d)
een climax.
95.
De habitat van een soort kun je ook omschrijven als de 'woonplaats' van een soort.
a)
juist
b)
onjuist
96.
Het gestroomlijnde lichaam van deze pinguïn is een voorbeeld van....
a)
aanpassing.
b)
successie.
c)
mutualisme.
d)
symbiose.
97.
Wat voor een soort 'ganger' zie je in deze afbeelding?
a)
zoolganger
b)
teenganger
c)
topganger/hoefganger
98.
Wat voor een soort 'ganger' zie je in deze afbeelding?
a)
zoolganger
b)
teenganger
c)
topganger/hoefganger
99.
Wat voor een soort 'ganger' zie je in deze afbeelding?
a)
zoolganger
b)
teenganger
c)
topganger/hoefganger
100.
Wat voor een soort snavel zie je bij een vogel met dit soort poten?
a)
kegelsnavel
b)
priemsnavel
c)
haaksnavel
d)
zeefsnavel
101.
Wat voor een soort snavel zie je bij een vogel met dit soort poten?
a)
kegelsnavel
b)
priemsnavel
c)
haaksnavel
d)
zeefsnavel
102.
Wat voor een soort snavel zie je bij een vogel met dit soort poten?
a)
kegelsnavel
b)
priemsnavel
c)
pincetsnavel
d)
zeefsnavel
103.
Hoe noemen we de snavel van deze vogel?
a)
priemsnavel
b)
haaksnavel
c)
kegelsnavel
d)
pincetsnavel
104.
In de afbeelding zie je een voorbeeld van een zonplant.
a)
juist
b)
onjuist
105.
Het meest linker wortelstelsel is van een plant in een droog milieu.
a)
juist
b)
onjuist
106.
In de afbeelding zie je een voorbeeld van...
a)
concurrentie
b)
samenwerking
107.
Competitie tussen soortgenoten is er vaak om voedsel, een partner of een veilige plek.
a)
juist
b)
onjuist
108.
Binnen een groep weet iedereen vaak zijn plek. Dit noemen we....
a)
competitie
b)
pikorde
c)
rangorde
d)
tepelorde
109.
Door samenwerking binnen een populatie is er een grotere kans op overleving.
a)
juist
b)
onjuist
110.
We zien hier een voorbeeld van paarvorming.
a)
juist
b)
onjuist
111.
Een langdurige samenlevingsvorm tussen verschillende soorten noem je...
a)
paarvorming
b)
competitie
c)
symbiose
d)
een niche
112.
Bij een korstmos hebben schimmel en alg beide voordeel van het samenleven. Dit noem je...
a)
commensalisme
b)
parasitisme
c)
symbiose
d)
mutualisme
113.
Bij een symbiose tussen een boomalg en een boom heeft de boomalg voordeel hiervan, de boom geen voordeel of nadeel. Dit noemen we...
a)
mutualisme
b)
concurrentie
c)
commensalisme
d)
parasitisme
114.
Luizen leven op de hoofdhuid van mensen. Dit is een voorbeeld van....
a)
commensalisme
b)
parasitisme
c)
mutualisme
115.
Een parasiet zal proberen zijn gastheer zo lang mogelijk in leven te houden.
a)
juist
b)
onjuist