NEW
Font size
S
M
L
XL
WorksheetsRedekundig ontleden
Total questions: 10
Worksheet time: 5mins
Name
Class
Date
1.
Wat is in de ze zin de bepaling?
'De kat loopt op de zolder'.
a)
De kat
b)
loopt
c)
op de zolder
2.
Wat is het onderstreepte deel:
'Mijn vader leest 's ochtends altijd de krant.'
a)
lijdend voorwerp
b)
medewerkend voorwerp
c)
bepaling van tijd
d)
onderwerp
3.
Wat is het onderwerp in deze zin?
Piet heeft gisteren een frietje gegeten.
a)
Piet.
b)
heeft gegeten.
c)
een frietje.
d)
gisteren.
4.
Wat is het lijdend voorwerp:
Morgen krijg ik een nieuwe telefoon.
Morgen krijg ik een nieuwe telefoon.
a)
Ik
b)
Morgen
c)
krijg
d)
een nieuwe telefoon.
5.
Zoek het gezegde:
Marco wil volgende week een 10 voor zijn proefwerk gaan halen.
Marco wil volgende week een 10 voor zijn proefwerk gaan halen.
a)
wil,halen.
b)
gaan ,halen.
c)
wil, gaan, halen.
6.
Zoek het meewerkend voorwerp:
De directeur gaf haar een mooi cadeau.
De directeur gaf haar een mooi cadeau.
a)
De directeur.
b)
gaf
c)
haar
d)
een mooi cadeau.
7.
Noem het lijdend voorwerp van deze zin: Sandra ging met de auto naar haar oom.
a)
Sandra
b)
Ging
c)
Haar oom
d)
Met de auto
8.
Noem de bepaling van deze zin: Simon ging om 12 uur naar een popconcert.
a)
Om 12 uur
b)
Ging
c)
Een popconcert
d)
Simon
9.
Noem de persoonsvorm van deze zin: Jantje ging met Pietje winkelen in de stad.
a)
Jantje
b)
Ging
c)
Winkelen
d)
Pietje
10.
Op de schutting heeft iemand graffitti gespoten
a)
Op de schutting
b)
graffitti
c)
heeft iemand gespoten
d)
iemand
Reset
