wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Havo 4 Thema 1

Total questions: 22

Worksheet time: 11mins

Name
Class
Date
1.

Welk organel zorgt in de cel voor de energievoorziening?

a)

ribosoom

b)

mitochondrium

c)

endoplasmatisch reticulum

d)

golgi systeem

2.

Tot welk organisatieniveau behoort DNA?

a)

orgaan

b)

cel

c)

organel

d)

molecuul

3.

Welk organel zorgt in de cel voor de productie van eiwitten?

a)

ribosoom

b)

mitochondrium

c)

golgi systeem

d)

lysosoom

4.

Tot welk organisatieniveau behoort een rode bloedcel?

a)

orgaan

b)

cel

c)

weefsel

d)

organel

5.

Wat wordt weergegeven met nummer 3?

a)

ribosoom

b)

celkern

c)

vacuole

d)

endoplasmatisch reticulum

6.

Wat wordt weergegeven met nummer 1?

a)

endoplasmatisch reticulum

b)

celkern

c)

mitochondrium

d)

chloroplast

7.

Welk onderdeel van de cel wordt aangegeven met nummer 9?

a)

Mitochondrium

b)

Ribosoom

c)

Golgi systeem

d)

Lysosoom

8.

Wat is het hoofdbestanddeel van onderdeel 7?

a)

koolhydraten

b)

eiwitten

c)

fosfolipiden

d)

cellulose

9.

Welk organel wordt aangegeven met nummer 6?

a)

Endoplasmatisch reticulum

b)

Celkern

c)

Golgi systeem

d)

Lysosoom

10.

Een bepaalde plantencel heeft turgor die maximaal is. Hij verandert niet meer van grootte.

Is de osmotische waarde buiten de cel groter dan, kleiner dan of gelijk aan de osmotische waarde in de cel?

a)

groter

b)

kleiner

c)

gelijk

11.

Een druppel menselijk bloed wordt verdund met eenzelfde hoeveelheid gedestilleerd water. Wat gebeurt er met de rode bloedcellen?

a)

Ze veranderen niet

b)

Ze krijgen een grotere turgor

c)

Ze verschrompelen

d)

Ze zwellen op

12.

In het cytoplasma van een zenuwcel is de kalium concentratie (K+ ionen) veel hoger dan buiten de cel. Welk manier van transport maakt dit mogelijk?

a)

diffusie

b)

actief transport

c)

passief transport

d)

osmose

13.

Onder de electronenmicroscoop ziet een analist cellen die opvallend veel mitochondrien bevatten. Welk type cellen zou dit kunnen zijn?

a)

spiercellen

b)

speekselklier cellen

c)

darmcellen

d)

huidcellen

14.

Een plantencel wordt in een oplossing gelegd. In de afbeelding zie je wat er met deze cel gebeurd na verloop van tijd.

Is de oplossing isotoon, hypertoon of hypotoon ten opzichte van de plantencel?

a)

isotoon

b)

hypertoon

c)

hypotoon

15.

Een bepaalde cel wordt achtereenvolgens in drie verschillende keukenzoutoplossingen gelegd en bij dezelfde vergroting getekend (zie de afbeelding). Hierbij blijft de cel levend.

In welke figuur heeft de getekende cel de grootste stevigheid?

a)

1

b)

2

c)

3

16.

Men legt enkele cellen uit een normale aardappel in gedestilleerd water.

Wat gebeurt er met de osmotische waarde van de cellen? En met de turgor?

a)

De osmotische waarde en turgor veranderen niet

b)

De osmotische waarde neemt af en de turgor neemt toe

c)

De osmotische waarde en turgor nemen af

d)

De osmotische waarde en turgor nemen toe

17.

Twee uitspraken:

1) Het transport van water door de celmembraan kost energie

2) Het transport van koolstofdioxide vindt plaats door diffusie

Welke uitspraken zijn juist?

a)

beide onjuist

b)

alleen 1 is juist

c)

alleen 2 is juist

d)

beide juist

18.

A1

Het organisme op de afbeelding doet aan fotosynthese, is ééncellig en bevat een celkern.

Dit organisme is een

a)

dier

b)

plant

c)

bacterie

d)

schimmel

19.

Proef met aardappelstaafjes

Uit een aardappel worden enkele staafjes gesneden. De staafjes zijn even lang en even dik. Ze worden in verschillende suikeroplossingen gelegd. Een dag later wordt de lengte van de staafjes gemeten. Het resultaat hiervan is weergegeven in het diagram van de afbeelding. Ook de lengte van de staafjes vóór de proef is in het diagram weergegeven.


Bij welke van de in het diagram aangegeven suikerconcentraties is de turgor van de aardappelcellen het hoogst?

a)

bij concentratie P

b)

bij concentratie Q

c)

bij concentratie R

d)

bij concentratie S

20.

Volgens Elaine Morgan zijn 'echte tranen' hypotonisch ten opzichte van de bloedvloeistof: het traanvocht heeft een lagere concentratie aan opgeloste deeltjes (een lagere osmotische waarde) dan de bloedvloeistof.

Om te testen of dit waar is, brengt een leerling een druppel bloed en een traan op een voorwerpglaasje met elkaar in contact.


Wat neemt hij onder de microscoop waar als Elaine Morgan gelijk heeft?

a)

De rode bloedcellen blijven even groot

b)

De rode bloedcellen blijven krimpen

c)

De rode bloedcellen blijven zwellen op

21.

Sabrina doet een onderzoek over de invloed van de zuurgraad van de bodem op het ontkiemen van tuinkerszaden.


Dit onderzoek kan men in vijf stappen delen. In willekeurige volgorde zijn deze stappen:


1) Sabrina verwacht dat zaden van tuinkers bij een lagere en hogere Ph slechter zullen ontkiemen dan bij een neutrale pH.

2) Sabrina laat 20 zaadjes van tuinkers ontkiemen bij pH 6 en 25 zaadjes bij pH 7 en 25 zaadjes bij pH 8.

3) Sabrina stelt vast dat bij pH 8 maar 4 zaadjes van tuinkers ontkiemen, bij pH 6 maar 8 en bij pH 7 zijn dat er 22.

4) Sabrina leest in een boek dat voor het ontkiemen van zaden de pH neutraal moet zijn.

5) Sabrina vraagt zich af of bij een lagere en hogere zuurgraad minder zaadjes van tuinkers ontkiemen dan bij een neutrale pH.

6) Sabrina concludeert dat pH 7 inderdaad de ideale zuurgraad is voor de ontkieming van tuinkers.


Welke stap is de hypothese?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

e)

5

22.

Een wetenschapper wil de invloed van aspirine op de bloeddruk bepalen. Hij beschikt over twee gelijke groepen proefpersonen. De proefpersonen van de ene groep krijgen een asparinetabletje (opgelost in een glas water) waarna ze de oplossing moeten opdrinken.

Wat moet de controlegroep toegediend krijgen?

a)

niets

b)

een glas water

c)

een glas water met opgelost een vergelijkbaar tabletje (zonder asparine)

d)

een vergelijkbaar tabletje zonder asparine