wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Herfst

Total questions: 20

Worksheet time: 20mins

Name
Class
Date
1.
a)

Het regent veel.

b)

Het regent niet veel.

c)

Het regent nooit.

d)

Er is geen regen.

2.
a)

Er is geen wind.

b)

Er is veel wind.

c)

Er is nooit wind.

d)

Er is veel zon.

3.
a)

De bomen zijn groen.

b)

Er zijn veel bomen.

c)

De bomen zijn in bloei.

d)

De bomen worden kaal.

4.
a)

We vieren Pasen.

b)

We vieren Halloween.

c)

Het is het seizoen van de noten.

d)

Het is het seizoen van de wind.

5.
a)

De herfst begint op 21 december.

b)

De herfst begint op 21 november.

c)

De herfst begint op 21 september.

d)

De herfst begint op 21 oktober.

6.
a)

Ik wandel in de stad.

b)

Ik wandel aan zee.

c)

Ik wandel op de dijk.

d)

Ik wandel in de bossen.

7.
a)

De bladeren zijn groen.

b)

De bladeren zijn rood, geel en bruin.

c)

De bladeren worden groen.

d)

De bladeren zijn wit en paars.

8.
a)

De leeuwen rapen de nootjes op.

b)

De katten rapen de nootjes op.

c)

De honden rapen de nootjes op.

d)

De eekhoorns rapen de nootjes op.

9.
a)

De bladeren vallen nooit.

b)

De bladeren vallen op de grond.

c)

De bladeren vallen op de tafel.

d)

De bladeren vallen niet.

10.
a)

Dit is een paddenstoel.

b)

Dit is een eikel.

c)

Dit is een beukennoot.

d)

Dit is een noot.

11.
a)

Dit zijn hazelnoten.

b)

Dit zijn beukennoten.

c)

Dit zijn noten.

d)

Dit zijn appelen.

12.
a)

Het is het seizoen van de spinnen.

b)

Het is het seizoen van de paddenstoelen.

c)

Het is het seizoen van de wind.

d)

Het is het seizoen van de regen.

13.
a)

Er zijn veel katten in de bossen.

b)

Er zijn veel paddenstoelen in de bossen.

c)

Er zijn veel stoelen in de bossen.

d)

Er zijn veel wafels in de bossen.

14.
a)

Dit is een tamme kastanje.

b)

Dit is een noot.

c)

Dit is een wilde kastanje.

d)

Dit is een appel.

15.
a)

Dit is een wilde kastanje. Dat is lekker!

b)

Dit is een peer. Dat is lekker!

c)

Dit is een tamme kastanje. Dat is lekker!

d)

Dit is een pompoen. Dat is lekker!

16.
a)

Wat een mooi spinnenweb!

b)

Wat een mooie spin!

c)

Wat een mooi blad!

d)

Wat een mooie paddenstoel!

17.
a)

Dit zijn spinnen.

b)

Dit zijn beukennoten.

c)

Dit zijn eikels.

d)

Dit zijn peren.

18.
a)

We lusten kippensoep.

b)

We lusten pompoensoep.

c)

We lusten tomatensoep.

d)

We lusten erwtensoep.

19.
a)

Dit is geen blad.

b)

Het blad hangt aan de boom.

c)

Het blad is geel.

d)

Het blad is rood.

20.
a)

De appelen zijn groen.

b)

De appelen zijn niet rijp.

c)

De appelen zijn rijp.

d)

De peren zijn rijp.