WorksheetsHerhalen 1.1. t/m 1.4. BB/KB klas 2
Total questions: 35
Worksheet time: 1hrs 10mins
Verzonnen teksten noem je
fictie
non-fictie
Als je vertelt over naam, leeftijd, uiterlijk en karakter is dat
spanning
non-fictie
een persoonsbeschrijving
jongen, paarden en Peter zijn
voorzetsels
zelfstandige naamwoorden
lidwoorden
bijvoeglijke naamwoorden
werkwoorden
de, het, een zijn
voorzetsels
zelfstandige naamwoorden
lidwoorden
bijvoeglijke naamwoorden
werkwoorden
in, op, achter, naast, met zijn
voorzetsels
zelfstandige naamwoorden
lidwoorden
bijvoeglijke naamwoorden
werkwoorden
lopen, werkt, keken zijn
voorzetsels
zelfstandige naamwoorden
lidwoorden
bijvoeglijke naamwoorden
werkwoorden
rode, stoere, dunne
voorzetsels
zelfstandige naamwoorden
lidwoorden
bijvoeglijke naamwoorden
werkwoorden
De politie kon de crimineel niet pakken.
De politie is....
de persoonsvorm
het onderwerp
werkwoordelijk gezegde
De politie kon de crimineel niet pakken.
kon =
de persoonsvorm
het onderwerp
werkwoordelijk gezegde
De politie kon de crimineel niet pakken.
kon pakken =
de persoonsvorm
het onderwerp
werkwoordelijk gezegde
De appel is op de grond gevallen.
is gevallen =
de persoonsvorm
het onderwerp
werkwoordelijk gezegde
De appel is op de grond gevallen.
De appel =
de persoonsvorm
het onderwerp
werkwoordelijk gezegde
De appel is op de grond gevallen.
is =
de persoonsvorm
het onderwerp
werkwoordelijk gezegde
De getallen hebben de hele dag in mijn hoofd gezeten.
De persoonsvorm =
hebben gezeten
hebben
De getallen
in mijn hoofd
De getallen hebben de hele dag in mijn hoofd gezeten.
Werkwoordelijk gezegde =
hebben gezeten
hebben
De getallen
in mijn hoofd
De getallen hebben de hele dag in mijn hoofd gezeten.
Het onderwerp is =
hebben gezeten
hebben
De getallen
in mijn hoofd
De man ....... naar huis (lopen tt)
loopt
loop
liep
liepen
De kaars ......... al de hele dag (branden tt)
brand
brandt
brande
brandde
De kaars ......... gisteren de hele dag (branden vt)
brand
brandt
brande
brandde
De kaarsen ......... gisteren de hele dag (branden vt)
brand
brandt
brandden
brandde
Hij .............. de vraag goed. (beantwoorden tt)
beantwoord
beantwoordt
beantwoordde
beantwoorde
Hij .............. de vraag goed. (beantwoorden vt)
beantwoord
beantwoordt
beantwoordde
beantwoorde
Welk woord is goed geschreven?
kopieën
kopiën
Welk woord is goed geschreven?
olieën
oliën
Welk woord is goed geschreven?
poriën
porieën
Welk woord is goed geschreven?
ideeën
ideën
Welk woord is goed geschreven?
taxies
taxi's
Welk woord is goed geschreven?
finale's
finales
Je wilt snel bekijken waar de tekst over gaat. je let op de titel, plaatjes en andere opvallende zaken.
verkennend lezen
zoekend lezen
nauwkeurig lezen
studerend leren
Je wilt de tekst begrijpen en je leest de tekst goed door.
verkennend lezen
zoekend lezen
nauwkeurig lezen
studerend leren
Je leest de tekst, omdat je de tekst bijvoorbeeld moet leren voor een proefwerk.
verkennend lezen
zoekend lezen
nauwkeurig lezen
studerend leren
Je zoekt naar het antwoord op je vraag.
verkennend lezen
zoekend lezen
nauwkeurig lezen
studerend leren
Het onderwerp van één of meerdere alinea's noem je
de titel
deeltitels
deelonderwerp
Een titel boven een alinea noem je een
titel
deelonderwerp
deeltitel
Een kernzin is de belangrijkste zin van een alinea. Vaak is dat
de eerst zin van een alinea
de middelste zinnen van een alinea
de laatste zin van een alinea
de eerste of laatste zin van een alinea
