Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Herhalen 1.1. t/m 1.4. BB/KB klas 2

Total questions: 35

Worksheet time: 1hrs 10mins

Name
Class
Date
1.

Verzonnen teksten noem je

a)

fictie

b)

non-fictie

2.

Als je vertelt over naam, leeftijd, uiterlijk en karakter is dat

a)

spanning

b)

non-fictie

c)

een persoonsbeschrijving

3.

jongen, paarden en Peter zijn

a)

voorzetsels

b)

zelfstandige naamwoorden

c)

lidwoorden

d)

bijvoeglijke naamwoorden

e)

werkwoorden

4.

de, het, een zijn

a)

voorzetsels

b)

zelfstandige naamwoorden

c)

lidwoorden

d)

bijvoeglijke naamwoorden

e)

werkwoorden

5.

in, op, achter, naast, met zijn

a)

voorzetsels

b)

zelfstandige naamwoorden

c)

lidwoorden

d)

bijvoeglijke naamwoorden

e)

werkwoorden

6.

lopen, werkt, keken zijn

a)

voorzetsels

b)

zelfstandige naamwoorden

c)

lidwoorden

d)

bijvoeglijke naamwoorden

e)

werkwoorden

7.

rode, stoere, dunne

a)

voorzetsels

b)

zelfstandige naamwoorden

c)

lidwoorden

d)

bijvoeglijke naamwoorden

e)

werkwoorden

8.

De politie kon de crimineel niet pakken.

De politie is....

a)

de persoonsvorm

b)

het onderwerp

c)

werkwoordelijk gezegde

9.

De politie kon de crimineel niet pakken.

kon =

a)

de persoonsvorm

b)

het onderwerp

c)

werkwoordelijk gezegde

10.

De politie kon de crimineel niet pakken.

kon pakken =

a)

de persoonsvorm

b)

het onderwerp

c)

werkwoordelijk gezegde

11.

De appel is op de grond gevallen.

is gevallen =

a)

de persoonsvorm

b)

het onderwerp

c)

werkwoordelijk gezegde

12.

De appel is op de grond gevallen.

De appel =

a)

de persoonsvorm

b)

het onderwerp

c)

werkwoordelijk gezegde

13.

De appel is op de grond gevallen.

is =

a)

de persoonsvorm

b)

het onderwerp

c)

werkwoordelijk gezegde

14.

De getallen hebben de hele dag in mijn hoofd gezeten.

De persoonsvorm =

a)

hebben gezeten

b)

hebben

c)

De getallen

d)

in mijn hoofd

15.

De getallen hebben de hele dag in mijn hoofd gezeten.

Werkwoordelijk gezegde =

a)

hebben gezeten

b)

hebben

c)

De getallen

d)

in mijn hoofd

16.

De getallen hebben de hele dag in mijn hoofd gezeten.

Het onderwerp is =

a)

hebben gezeten

b)

hebben

c)

De getallen

d)

in mijn hoofd

17.

De man ....... naar huis (lopen tt)

a)

loopt

b)

loop

c)

liep

d)

liepen

18.

De kaars ......... al de hele dag (branden tt)

a)

brand

b)

brandt

c)

brande

d)

brandde

19.

De kaars ......... gisteren de hele dag (branden vt)

a)

brand

b)

brandt

c)

brande

d)

brandde

20.

De kaarsen ......... gisteren de hele dag (branden vt)

a)

brand

b)

brandt

c)

brandden

d)

brandde

21.

Hij .............. de vraag goed. (beantwoorden tt)

a)

beantwoord

b)

beantwoordt

c)

beantwoordde

d)

beantwoorde

22.

Hij .............. de vraag goed. (beantwoorden vt)

a)

beantwoord

b)

beantwoordt

c)

beantwoordde

d)

beantwoorde

23.

Welk woord is goed geschreven?

a)

kopieën

b)

kopiën

24.

Welk woord is goed geschreven?

a)

olieën

b)

oliën

25.

Welk woord is goed geschreven?

a)

poriën

b)

porieën

26.

Welk woord is goed geschreven?

a)

ideeën

b)

ideën

27.

Welk woord is goed geschreven?

a)

taxies

b)

taxi's

28.

Welk woord is goed geschreven?

a)

finale's

b)

finales

29.

Je wilt snel bekijken waar de tekst over gaat. je let op de titel, plaatjes en andere opvallende zaken.

a)

verkennend lezen

b)

zoekend lezen

c)

nauwkeurig lezen

d)

studerend leren

30.

Je wilt de tekst begrijpen en je leest de tekst goed door.

a)

verkennend lezen

b)

zoekend lezen

c)

nauwkeurig lezen

d)

studerend leren

31.

Je leest de tekst, omdat je de tekst bijvoorbeeld moet leren voor een proefwerk.

a)

verkennend lezen

b)

zoekend lezen

c)

nauwkeurig lezen

d)

studerend leren

32.

Je zoekt naar het antwoord op je vraag.

a)

verkennend lezen

b)

zoekend lezen

c)

nauwkeurig lezen

d)

studerend leren

33.

Het onderwerp van één of meerdere alinea's noem je

a)

de titel

b)

deeltitels

c)

deelonderwerp

34.

Een titel boven een alinea noem je een

a)

titel

b)

deelonderwerp

c)

deeltitel

35.

Een kernzin is de belangrijkste zin van een alinea. Vaak is dat

a)

de eerst zin van een alinea

b)

de middelste zinnen van een alinea

c)

de laatste zin van een alinea

d)

de eerste of laatste zin van een alinea