wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Ziekteoorzaken

Total questions: 33

Worksheet time: 21mins

Name
Class
Date
1.

Bij autosomale overerving bevindt het 'zieke' gen zich:

a)

Op chromosomenpaar 23

b)

Op de autosomen

c)

Op een van de chromosomen 1 t/m 22

d)

Op het X of het Y chromosoom

2.

Bij geslachtsgebonden overerving bevindt het 'zieke' gen zich:

a)

Op een autosoom

b)

Op een X of Y chromosoom

c)

Op een van de chromosomen 1 t/m 22

d)

In het cytoplasma

3.

Een congenitale afwijking is een:

a)

Degeneratieve afwijking

b)

Aangeboren afwijking

c)

Allergische afwijking

d)

Ongeboren afwijking

4.

Een perinatale afwijking is een afwijking:

a)

die na de geboorte is ontstaan

b)

die rondom de geboorte is ontstaan

c)

die in de embryonale periode is ontstaan

d)

die altijd een metabole oorzaak heeft

5.

Artrose is een:

a)

Allergische aandoening

b)

Degeneratieve aandoening

c)

Congenitale aandoening

d)

Traumatische aandoening

6.

Een fractuur is een:

a)

scheur

b)

breuk

c)

ontwrichting

d)

bloeduitstorting

7.

Een ruptuur is een:

a)

Scheur

b)

Fractuur

c)

Ontwrichting

d)

Kneuzing

8.

Een luxatie is een:

a)

scheur

b)

breuk

c)

bloeduitstorting

d)

ontwrichting

9.

Zie de röntgenfoto van de vinger. Er is hier sprake van:

a)

een ruptuur

b)

een fractuur

c)

een hematoom

d)

een luxatie

10.

Zie de röntgenfoto van de enkel. Er is hier sprake van:

a)

een ruptuur

b)

een fractuur

c)

een hematoom

d)

een luxatie

11.

Wat betekent een deficiëntieziekte?

a)

Een ziekte die het gevolg is van een allergie

b)

Een auto-immuunziekte

c)

Een ziekte die het gevolg is van overvoeding

d)

Een ziekte die het gevolg is van een tekort aan een voedingsstof

12.

Een metabole stoornis is een:

a)

stoornis in de stofwisseling

b)

stoornis in het actief transport over de celmembraan

c)

stoornis in de diffusie

d)

stoornis in het immuunsysteem

13.

Wat gebeurt er bij een anafylactische shock met de tensie?

a)

De tensie stijgt

b)

De tensie daalt

c)

De tensie blijft gelijk maar de hartslag daalt

d)

De tensie blijft gelijk maar de hartslag stijgt

14.

Auscultatie betekent:

a)

Het luisteren naar lichaamsgeluiden

b)

Het bekloppen van het lichaamsoppervlak

c)

Het voelen van veranderingen via de huid

15.

Percussie betekent:

a)

Het luisteren naar lichaamsgeluiden

b)

Het voelen van veranderingen via de huid

c)

Het bekloppen van het lichaamsoppervlak

16.

DD betekent:

a)

Diagnostiek differentiatie

b)

Differentiaal diagnose

c)

Dilatatie diagnostiek

d)

Directe diagnose

17.

UV-straling is een voorbeeld van een fysische oorzaak voor mutaties in DNA

a)

Stelling is juist

b)

Stelling is onjuist

c)

Weet ik niet

18.

Organismen waarbij het recessieve gen tot uiting komt in het fenotype zijn heterozygoot voor deze eigenschap

a)

Deze stelling is juist

b)

Deze stelling is onjuist

c)

Ik weet het niet

19.

Wat is chronisch?

a)

erfelijke aanleg

b)

aangeboren

c)

gebrek aan bepaalde stof

d)

langdurig, slepend

20.

Wat is congenitaal?

a)

geboorte

b)

gynaecoloog

c)

aangeboren

d)

erfelijke aanleg

21.

Wat is deficiëntie?

a)

Gebrek aan een bepaalde stof

b)

intelligentie

c)

erfelijke aanleg

d)

aangeboren

22.

Wat is een metastase?

a)

uitzaaiing

b)

oncologie

c)

kwaadaardig

d)

vergiftiging

23.
Een benigne  tumor =
a)
Goedaardig
b)
Kwaadaardig
24.

Bij Artrose ontstaat er een verlies van

a)

Kraakbeen

b)

Glad spierweefsel

c)

Bindweefsel

d)

Synoviaal vocht

25.

exacerbatie wil zeggen

a)

het ziektebeeld is stabiel

b)

het ziekte beeld verloopt chronisch

c)

de klachten worden minder

d)

de klachten verergeren

26.

Wat is een belangrijk mineraal dat bijdraagt aan de stevigheid van de botten?

a)

Kalium

b)

Calcium

c)

Natrium

d)

Magnesium

27.

Als je geen allergische ouders hebt, kun je geen allergie krijgen.

a)

juist

b)

fout

28.

Wat is de reconvalescentiefase?

a)

de fase waarin je het ziektst bent

b)

de fase voor je ziek wordt

c)

de herstelfase

29.

Bij geslachtsgebonden overerving bevindt het 'zieke' gen zich:

a)

Op een autosoom

b)

Op een X of Y chromosoom

c)

Op een van de chromosomen 1 t/m 22

d)

In het cytoplasma

30.

Een perinatale afwijking is een afwijking:

a)

die na de geboorte is ontstaan

b)

die rondom de geboorte is ontstaan

c)

die in de embryonale periode is ontstaan

d)

die altijd een metabole oorzaak heeft

31.

Kleurenblindheid is een recessieve aandoening. We kunnen dan zeggen dat kleurenblindheid ontstaat bij mensen met:

a)

Twee zwakke genen (aa)

b)

Twee ongelijke genen (Aa)

c)

Twee sterke genen (AA)

32.

Wat is een endogene ziekteoorzaak?

a)

De oorzaak komt van buitenaf

b)

De oorzaak komt van binnenuit

33.

Allergie

a)

Betekend dat je ergens het aller-beste in bent.

b)

Is een overgevoeligheid voor bepaalde stoffen.