wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Havo 1 hoofdstuk 1

Total questions: 16

Worksheet time: 5mins

Name
Class
Date
1.

Hoe kun je het ow van een tekst vinden?

a)

Door alleen naar de plaatjes te kijken

b)

Door oriënterend te lezen

c)

Door alleen de titel te bekijken

d)

Door de hele tekst te lezen

2.

Wat is oriënterend lezen?

a)

Je bekijkt de plaatjes in de tekst

b)

Je bekijkt de dikgedrukte woorden in de tekst

c)

Je bekijkt de tekst en leest de eerste alinea

d)

Je leest de eerste en de laatste alinea

3.

Wat zijn synoniemen?

a)

Eén woord met twee betekenissen

b)

Twee woorden met dezelfde betekenis

c)

Twee woorden met twee verschillende betekenissen

d)

Eén woord met maar één betekenis

4.

Wat is een woordraadstrategie?

a)

Een manier om een betekenis van een woord te ontdekken

b)

Een manier om de context van een woord te begrijpen

c)

Een manier om woorden te spellen

d)

Een manier om synoniemen te zoeken

5.

Wat is de context van een woord?

a)

De twee woorden die om een woord heen staan

b)

De hele tekst om een woord heen

6.

Wat betekent bonje?

a)

Ruzie

b)

Een ander woord voor boot

c)

Visite

d)

Gezellig

7.

Wat is een zinsdeel?

a)

Eén woord of een groepje woorden die bij elkaar horen

b)

Een woordsoort

c)

Een groepje woorden dat bij elkaar hoort

d)

Eén woord dat van de rest van de zin gescheiden kan worden

8.

Hoeveel lidwoorden zijn er?

a)

Eén

b)

Twee

c)

Drie

d)

Vier

9.

Hoeveel bepaalde lidwoorden zijn er?

a)

Eén: de

b)

Twee: de, het

c)

Drie: de, het, een

d)

Eén: de

10.

Hoeveel onbepaalde lidwoorden zijn er?

a)

Eén: de

b)

Twee: de, het

c)

Drie: de, het, een

d)

Eén: een

11.

Wanneer gebruik je GEEN komma?

a)

Voor 'en' en 'of'

b)

Voor verbindingswoorden

c)

Tussen twee persoonsvormen in

12.

Als je/jij achter de pv staat (beide opties mogelijk), schrijf je de

a)

Hij-vorm van het ww

b)

Ik-vorm van het ww

c)

Het infinitief (hele ww)

13.

Mijn buurman ...... (reizen) elke dag.

a)

reisdt

b)

reisd

c)

reist

d)

rees

14.

(vinden) ...... jij Dotan ook een goede zanger?

a)

Vindt

b)

Vind

c)

Vint

d)

Vondt

15.

(benijden) Ik .......... je om je mooie haar!

a)

benijt

b)

benijd

c)

benijdt

d)

beneid

16.

(houden) ......... je moeder van appeltaart?

a)

Houdt

b)

Houd

c)

Hout

d)

Hou