wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Klare taal les 1-10

Total questions: 51

Worksheet time: 56mins

Name
Class
Date
1.

Wat zijn cijfers?

a)

Alles van 1 tot 20

b)

Alles van 1-9

c)

Alles van 1-100

d)

Alles van 1-10

2.

In welk antwoord staan alleen klinkers?

a)

a-b-c-d-e-f-g-h-i-j-k-l

b)

b-c-d-f-g-h-k-l-m

c)

a-e-u-i-o-y

d)

a-f-t-e-u-i-o-y

3.

Wat is een goede zin?

a)

hij loopt naar huis

b)

Hij loopt naar huis

c)

Hij loopt naar huis.

d)

Hij loopt naar.

4.

In welk antwoord staat een werkwoord?

a)

kijker

b)

kijken

c)

tegenover

d)

werker

5.

Waar staat het hele werkwoord?

a)

loop

b)

loopt

c)

loopte

d)

lopen

6.

Wat is de stam van "schrijven"?

a)

schrijft

b)

schrijf

c)

schrijven

d)

pen

7.

Wat is goed?

a)

ik loop

b)

ik loopt

c)

wij loopt

d)

u lopen

8.

Wat is een vraagzin?

a)

Wij gaan voetballen.

b)

Gaan wij voetballen.

c)

Gaan wij voetballen!

d)

Gaan wij voetballen?

9.

Jan schreeuwt door de klas. _____________ toch eens stil!

a)

Zijn

b)

Is

c)

ben

d)

Ben

10.

Thesar en Temesgen gaan verhuizen. __________ gaan in Helmond wonen.

a)

Hij

b)

Jullie

c)

Zij

d)

Wij

11.

Samira gaat naar oma. Ze vraagt: Gaat ______ mee naar de winkel?

a)

u

b)

je

c)

jij

d)

ze

12.

Wat is hier fout: messi is de beste voetballer!

a)

niets, alles is goed.

b)

! is fout

c)

Messi moet met een hoofdletter.

d)

is moet zijn: zijn

13.

Wat is een goede vraagzin?

a)

Youssef loopt buiten?

b)

Loopt Youssef buiten?

c)

Buiten loopt Youssef?

d)

Loopt buiten Youssef?

14.

Wat is goed?

a)

ik ben -hij bent- zij bent- jij bent-u bent- jullie zijn- wij zijn- zij zijn

b)

ik is -hij is- zij is- jij bent-u bent- jullie zijn- wij zijn- zij zijn

c)

ik ben -hij is- zij is- jij is-u bent- jullie zijn- wij zijn- zij zijn

d)

ik ben -hij is- zij is- jij bent-u bent- jullie zijn- wij zijn- zij zijn

15.

Wat is goed?

a)

ik leez- jij leezt-hij leezt-zij leezt- zij lezen- jullie lezen- wij lezen

b)

ik lez- jij lezt-hij lezt-zij lezt- zij lezen- jullie lezen- wij lezen

c)

ik leest- jij leest-hij leest-zij leest- zij lezen- jullie lezen- wij lezen

d)

ik lees- jij leest-hij leest-zij leest- zij lezen- jullie lezen- wij lezen

16.

Wat is het meervoud van : boot

a)

botten

b)

botten

c)

bootten

d)

boten

17.

Wat is het meervoud van : bot

a)

boten

b)

botten

c)

bootten

d)

bott

18.

Wat is het meervoud van : duif

a)

duifen

b)

duifje

c)

duiven

d)

duif

19.

Wat is het meervoud van : stad

a)

stadden

b)

staden

c)

stedden

d)

steden

20.

Wat is het meervoud van : piano

a)

pianon

b)

pianos

c)

piano's

d)

piano-en

21.

Wat is goed? Drie antwoorden aanklikken!

a)

"kijken" is de stam van schrijven

b)

15 is een getal

c)

9 is een cijfer

d)

"Wij eet graag brood" is een goede zin.

e)

"Ga jij naar de dokter?" is een vraagzin.

22.

Wat is hier het onderwerp: Hij pakt de bal.

a)

Hij

b)

pakt

c)

de

d)

bal

23.

Wat is hier het onderwerp: Over twee weken hebben wij vakantie.

a)

over

b)

twee weken

c)

hebben

d)

wij

e)

vakantie

24.

In welke zin staat een fout? Twee antwoorden aanklikken!!

a)

De meneer is maandag niet op school

b)

De juf drinkt graag een kopje koffie.

c)

kom jij morgen ook naar school?

d)

Wij sporten graag.

25.

In welke zin staat een fout? Twee antwoorden aanklikken!

a)

De muizen eten al de kaas op.

b)

De vakantie's zijn erg leuk.

c)

Geef mij die parapluus even!

d)

De golven zijn door de storm heel hoog.

e)

De schepen varen vandaag naar Spanje.

26.

In welke zin staat een voorzetsel?

a)

Ik loop weg.

b)

Ik loop heel hard.

c)

Ik loop naar de deur.

d)

Ik loop langzaam want ik ben moe.

27.

Wat is geen voorzetsel?

a)

onder

b)

langs

c)

achter

d)

boven

e)

en

28.

Welke zin is fout.

a)

Het schilderij hangt aan de muur.

b)

Het schilderij hangt boven de kast.

c)

Het schilderij hangt op de muur.

29.

welke zin is fout?

a)

De hond ligt onder de tafel.

b)

De hond ligt op de tafel.

c)

De hond ligt voor de tafel.

d)

De hond ligt bij de tafel.

e)

De hond ligt tussen

de tafel.

30.

Wat is fout?

a)

De krant ligt op de bank.

b)

Mijn euro ligt onder de bank.

c)

De stoel staat naast de bank.

d)

De tafel staat voor de bank.

e)

Ik slaap met de bank.

31.

De vrouw zit ____________________ de mannen.

a)

naast

b)

tussen

c)

achter

d)

tegenover

32.

Wat is een vraagzin met een heel werkwoord?

a)

Kijkt hij naar de televisie?

b)

Wij fietsen naar Nijmegen.

c)

Kopen zij nieuwe kleren?

d)

Komt hij nog naar school?

33.

Wat is geen werkwoord?

a)

rennen

b)

varen

c)

zwemmen

d)

zee

e)

drinken

34.

Komen _________________ morgen ook naar het AZC? Twee antwoorden!

a)

zij

b)

jullie

c)

hij

d)

u

e)

jij

35.

"Ga jij goed leren voor de toets?" Welk 3 antwoorden zijn waar?

a)

Dit is geen vraagzin.

b)

Ga is een werkwoord, de stam van "gaan".

c)

"jij" is enkelvoud.

d)

Er staat een voorzetsel in deze zin.

e)

de toets is fout: het toets

36.

ik ben - ik geev - ik kijk - ik ligg- ik prat - ik fiets.

Welke zijn allemaal fout?

a)

ik ben - ik geev - ik ligg

b)

ik ligg- ik prat - ik fiets

c)

ik kijk - ik ligg- ik prat

d)

ik geev - ik ligg- ik prat

37.

Jij bent te laat! En jij ook! __________________ mogen niet naar sport.

a)

Zij

b)

Jullie

c)

Wij

d)

Jij en jij

38.

"Grave" moet met een hoofdletter, want...?

a)

Het is een zin en de eerste letter moet met een hoofdletter.

b)

Het hoeft niet met een hoofdletter.

c)

Het is een naam! Dus het moet met een hoofdletter.

39.

Wat is goed?

a)

ik ben moe

b)

Ik ben moe

c)

Ik ben moe.

40.

Wat is het meervoud? een bezem- twee ________________

a)

bezemen

b)

bezems

c)

bezem's

d)

beezems

41.

Wat is meervoud? Een potlood- twee _____________

a)

potlooden

b)

potloods

c)

potloden

d)

potlodden

42.

Wat is het enkelvoud? De meisjes- ____________________

a)

de meisje

b)

het meisje

c)

de miesje

d)

het miesje

43.

Wat is het enkelvoud? De glazen- __________________

a)

de glas

b)

de glaas

c)

het glas

d)

het glaas

44.

Wat is meervoud? De kaart- ______________________

a)

de karten

b)

de kaarten

c)

de kart

d)

de kaarts

45.

Welk antwoord is goed?

a)

de pen- het potlood- de gum - de puntenslijper - het gum

b)

het konijn, - de poes - de hond - het slang - de olifant

c)

de politie - het meisje - de man - de vrouw - het juf

d)

de boom - het boek - de winkel - de auto - het licht

46.

Wat is goed? Let op: 3 antwoorden zijn goed!!

a)

de meisjes

b)

het meisje

c)

het jongen

d)

de vrouwen

e)

het schaar

47.

Wat is goed?

a)

De bal is hier. Hij ligt in de kast.

b)

Het schrift is vol. Hij mag mee naar huis.

c)

Ik wacht op de trein. Het is te laat!

d)

De boek is leuk. Het is erg spannend!

48.

Wat is goed?

a)

Semere, Bereket en Denait gaan weg. Wij gaan verhuizen.

b)

Semere, Bereket en Denait gaan weg. Jullie gaan verhuizen.

c)

Semere, Bereket en Denait gaan weg. Zij gaan verhuizen.

d)

Semere, Bereket en Denait gaan weg. Zij gaat verhuizen.

49.

loopt - buiten - Zij

a)

Loopt zij buiten.

b)

Zij loopt buiten.

c)

Buiten loopt zij.

d)

Buiten zij loopt.

50.

In welk antwoord zitten alleen klinkers?

a)

a-b-c-d-e-f-g-h-i-j-k-l

b)

b-c-d-f-g-h-k-l-m

c)

a-e-u-i-o-y

d)

a-f-t-e-u-i-o-y

51.

Wat is moeilijk?

Kies wat jij moeilijk vindt.

a)

meervoud

b)

werkwoorden

c)

alles

d)

niets