wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Project 2.2 dier quiz 2

Total questions: 18

Worksheet time: 9mins

Name
Class
Date
1.

Welke figuur is symmetrisch? (meerdere antwoorden mogelijk)

a)
b)
c)
2.

De trappen van vergelijking. Vul aan: veel ...

a)

meer meest

b)

minder minst

c)

veler meest

d)

veler meer

3.

Wat is een kenmerk van een zelfstandig naamwoord?

a)

Het beschrijft een woord.

b)

Er staat een lidwoord voor.

4.

Wat is een kenmerk van een bijvoeglijk naamwoord?

a)

Er staat een lidwoord voor.

b)

Het staat soms bij een zelfstandig naamwoord.

c)

Het beschrijft iets.

5.

Wat betekent biodiversiteit?

a)

Er leven veel dieren.

b)

Het is heel biologisch.

c)

Er is een verscheidenheid aan leven.

d)

Er zijn veel planten en diersoorten.

6.

Wat is het verschil tussen een voedselweb en een voedselketen?

a)

In een voedselketen zie je wie door wie wordt gegeten. In een voedselweb zie je verschillende voedselketens met meerdere schakels.

b)

In een voedselweb zie je wie door wie wordt gegeten. In een voedselketen zie je verschillende voedselketens met meerdere schakels.

7.

In een driehoek zijn alle symmetrieassen diagonalen.

a)

Waar

b)

Niet-waar

8.

De diagonalen in een vierkant zijn ook symmetrieassen

a)

Waar

b)

Niet-waar

9.

Hoe vorm je de present continous bij de volgende zin: The shark is ...

a)

swim

b)

swimming

c)

swiming

10.

Hoe vorm je the present tense in de volgende zin: he ... the match.

a)

miss

b)

misse

c)

misses

11.

Hoe noem je een dier dat alleen maar planten eet?

a)

omnivoor

b)

herbivoor

c)

carnivoor

12.

Hoe vertaal je 'een nijlpaard' naar het Engels?

a)

a hippopotamus

b)

a rhino

c)

a rhinohorse

13.

Hoe vertaal je 'een vleermuis' naar het Engels?

a)

a snake

b)

a flying mouse

c)

a bat

14.

Waarom bestaan er dierentuinen.

a)

Ze zijn er voor educatie. Zo leren ze ons vanalles bij over verschillende dieren.

b)

Ze fokken dieren, zodat deze niet kunnen uitsterven.

15.

Dit is het gebit van een ...

a)

herbivoor

b)

omnivoor

c)

carnivoor

16.

Een hond heeft grote hoektanden en kiezen om gemakkelijk vlees te verscheuren.

a)

Waar

b)

Niet-waar

17.

Wat klopt? Een schema is...

a)

non-fictie en bedoeld om te overtuigen. Je vindt er steekwoorden, pijlen en je ziet de kern in één oogopslag.

b)

fictie en bedoeld om te informeren. Je vindt er steekwoorden, pijlen en je ziet de kern in één oogopslag.

c)

non-fictie en bedoeld om te informeren. Je vindt er steekwoorden, pijlen en je ziet de kern in één oogopslag.

18.

Wat klopt? Een verhaal is ...

a)

fictie en bedoeld om te amuseren. Je vindt er veel tekst, lange zinnen en verschillende hoofdstukken.

b)

non-fictie en bedoeld om te amuseren. Je vindt er weinig tekst, lange zinnen en verschillende hoofdstukken.

c)

fictie en bedoeld om te amuseren. Je vindt er veel tekst, korte zinnen en verschillende hoofdstukken.