wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Begrijpend lezen M7

Total questions: 40

Worksheet time: 20mins

Name
Class
Date
1.
a)

In het stukje tekst staat een opsomming.

b)

In het stukje tekst staat een tegenstelling.

c)

In het stukje tekst staat een oorzaak en gevolg.

d)

In het stukje tekst staat een conclusie

2.
a)

Een wan gebruik je om kaf te verzamelen.

b)

Een wan gebruik je omdat het veen te nat was.

c)

Een wan gebruik je om koren te krijgen zonder kaf.

d)

Een wan gebruik je om graankorrels te verzamelen.

3.
a)

In regel 1 t/m 5 wordt met "nadat" een verband van tijd aangegeven.

b)

In regel 1 t/m 5 wordt met "nadat" een tegenstelling aangegeven.

c)

In regel 1 t/m 5 wordt met "nadat" een verband van oorzaak aangegeven.

d)

In regel 1 t/m 5 wordt met "nadat" een vergelijking aangegeven.

4.
a)

Regel 9 t/m 14 is een oorzaak - gevolg.

b)

Regel 9 t/m 14 is een voorbeeld.

c)

Regel 9 t/m 14 is een conclusie.

d)

Regel 9 t/m 14 is een tegenstelling.

5.
a)

object

b)

kunstwerk

c)

doek

d)

werk

6.
a)

aangeduid

b)

gesymboliseerd

c)

naverteld

d)

behandeld

7.
a)

tijdens de watersnoodramp in 1953

b)

tijdens de steenkoolmijnen rond 1900

c)

tijdens de Tweede Wereldoorlog

d)

tijdens de Eerste Wereldoorlog

8.
a)

Een storing in de hersenen waardoor je dingen vergeet.

b)

Een storing in de hersenen waardoor je niet meer goed kunt lopen.

c)

Een storing in de hersenen waardoor je moeite hebt met spelling.

d)

Een storing in de hersenen waardoor je in paniek raakt.

9.
a)

Je mocht de grotten niet in zonder gids.

b)

Je mocht geen Joden helpen.

c)

Je mocht niks stelen uit de grotten.

d)

Er dreigde instortingsgevaar.

10.
a)

een tegenstelling

b)

een rede en gevolg

c)

een conclusie

d)

een opsomming

11.
a)

De familie in de grot

b)

Op zoek naar onderduikers

c)

Ondergedoken in de grot

d)

Waar is Samuel gebleven?

12.
a)

Clara

b)

Sofia

c)

Rebecca

d)

Dat staat niet in de tekst

13.
a)

Waardoor

b)

Ondanks

c)

Terwijl

d)

Waarna

14.
a)

verbaasd

b)

angstig

c)

vrolijk

d)

nijdig

15.
a)

Je moet iemand die druk bezig is niet lastig vallen.

b)

Van alleen muziek maken, kun je niet leven.

c)

Sommige dieren zijn hard en gemeen tegen elkaar.

d)

Bij vrienden kun je altijd aankloppen als je in nood bent.

16.
a)

een conclusie

b)

een rede en gevolg

c)

een opsomming

d)

een samenvatting

17.
a)

Hij vraagt zich af waar de krekel was, toen hij zijn voorraad binnenhaalde.

b)

Hij vraagt zich af waarom de krekel eten gaat vragen aan hem.

c)

Hij wil de krekel in de val lokken.

d)

Hij wil de krekel aan het denken zetten over zijn gedrag.

18.
a)

Bijna 4 ton voor computerschilderij

b)

Kunstenaar laat computer zelf schilderij maken

c)

Computer schildert een man uit de achttiende eeuw

d)

Computerschilderij krijgt wiskundige formule i.p.v. handtekening

19.
a)

regel 5 en 6

b)

regel 9 en 10

c)

regel 2 en 3.

d)

regel 14 en 15

20.
a)

conclusie

b)

oorzaak / gevolg

c)

opsomming

d)

tegenstelling

21.
a)

Het programma achterhaalde met welk materiaal was gewerkt.

b)

Het programma onderzocht de details van schilderijen.

c)

het programma voegde de afbeeldingen samen tot een nieuw schilderij.

d)

Het programma leerde over verschillende schilders.

22.
a)

De schilder van het schilderij, was geen mens.

b)

De kunstenaar was eigenlijk een wiskundeleraar.

c)

De kunstenaar mocht er zijn handtekening niet onderzetten.

d)

De schilder was het niet eens met het plaatsen van een handtekening onder zijn schilderij.

23.
a)

verpeste

b)

bederven

c)

vervormde

d)

afkorte

24.
a)

een opsomming

b)

een tegenstelling

c)

een oorzaak / gevolg

d)

een samenvatting

25.
a)

Een rede dat er over gesproken werd.

b)

De plek waar je vrij bent bij tikkertje.

c)

Een plek waarin je kunt gaan wonen.

d)

De eerste keer dat iedereen het zag.

26.
a)

55 cm groot

b)

15 cm groot

c)

25 cm groot

d)

45 cm groot

27.
a)

Zo vielen ze meer op in het bos.

b)

Omdat het kleine figuurtjes waren.

c)

Ze moesten niet op mensen lijken.

d)

Ze hadden het erg koud in het bos gehad.

28.
a)

Johan en Pirrewiet werden door de Smurfen in hun verhalen lastig gevallen.

b)

De Smurfen wilde niks meer met Johan en Pirrewiet te maken hebben en vertrokken naar een ander bos.

c)

De Smurfen gingen voor Johan en Pirrewiet staan, waardoor ze minder zichtbaar werden.

d)

Johan en Pirrewiet werden minder populair, dan de Smurfen.

29.
a)

Peyo heet eigenlijk Pierrot

b)

Peyo de schrijver van Johan

c)

De Smurfen-schrijver Peyo

d)

Johan en Pirrewiet verdrongen door de Smurfen

30.
a)

die boer

b)

Eric

c)

Opa

d)

Dat wordt niet duidelijk in dit verhaal.

31.
a)

Opa had een boer kwaad gemaakt en daar waren zijn ouders boos over.

b)

Opa had een appel gestolen en daar waren zijn ouders boos over.

c)

Opa had zijn trui kapot gemaakt en daar waren zijn ouders boos over.

d)

Opa was veel te laat thuis en daar waren zijn ouders boos over.

32.
a)

een tegenstelling

b)

een samenvatting

c)

een conclusie

d)

een oorzaak en gevolg

33.
a)

Hij denkt erover om buiten te gaan spelen.

b)

Hij denk erover om dit zelf ook te gaan doen.

c)

Hij snapt niet precies wat zijn opa bedoeld.

d)

Hij vraagt zich af of hij het eens is met zijn opa.

34.
a)

regel 18 t/m 20

b)

regel 33/34

c)

regel 8/9

d)

regel 22/23

35.
a)

Er was geen internet.

b)

Er waren geen speeltuintjes.

c)

Er was niet zoveel speelgoed.

d)

Er was geen televisie.

36.
a)

Dat zijn opa kranten voor allerlei andere dingen gebruikt.

b)

Dat zijn opa kranten onder zijn jas stopt.

c)

Dat er kranten zouden kunnen vallen als zijn opa zijn jas uit zou doen.

d)

Dat zijn opa niet met zijn tijd mee gaat.

37.
a)

Als een vlinder

b)

overleven

c)

zonder vrienden

d)

eenzaam zijn is niet erg

38.
a)

met haar broer

b)

met haar man

c)

met haar vriend

d)

met haar zoon

39.
a)

Toen ...... andere stem. (regel 16/17)

b)

Maar toen ........... trap af (regel 32)

c)

Het was .......was geweest. (regel 7 t/m 9)

d)

Ze zei kortaf ....... naar bed. (regel 48/49)

40.
a)

In regel 35 t/m 37 staat een opsomming.

b)

In regel 30 t/m 32 staat een oorzaak / gevolg.

c)

In regel 46 t/m 48 staat een tegenstelling.

d)

In regel 3 t/m 5 staat een oorzaak / rede.