wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Havo 4 Thema 1 en 2 "moeilijke vragen"

Total questions: 18

Worksheet time: 9mins

Name
Class
Date
1.

Welk organel zorgt in de cel voor de energievoorziening?

a)

ribosoom

b)

mitochondrium

c)

endoplasmatisch reticulum

d)

golgi systeem

2.

Wat is het hoofdbestanddeel van onderdeel 7?

a)

koolhydraten

b)

eiwitten

c)

fosfolipiden

d)

cellulose

3.

Welk organel zorgt in de cel voor de productie van eiwitten?

a)

ribosoom

b)

mitochondrium

c)

golgi systeem

d)

lysosoom

4.

Een druppel menselijk bloed wordt verdund met eenzelfde hoeveelheid gedestilleerd water. Wat gebeurt er met de rode bloedcellen?

a)

Ze veranderen niet

b)

Ze krijgen een grotere turgor

c)

Ze verschrompelen

d)

Ze zwellen op

5.

In het cytoplasma van een zenuwcel is de kalium concentratie (K+ ionen) veel hoger dan buiten de cel. Welk manier van transport maakt dit mogelijk?

a)

diffusie

b)

actief transport

c)

passief transport

d)

osmose

6.

Een bepaalde cel wordt achtereenvolgens in drie verschillende keukenzoutoplossingen gelegd en bij dezelfde vergroting getekend (zie de afbeelding). Hierbij blijft de cel levend.

In welke figuur heeft de getekende cel de grootste stevigheid?

a)

1

b)

2

c)

3

7.

Men legt enkele cellen uit een normale aardappel in gedestilleerd water.

Wat gebeurt er met de osmotische waarde van de cellen? En met de turgor?

a)

De osmotische waarde en turgor veranderen niet

b)

De osmotische waarde neemt af en de turgor neemt toe

c)

De osmotische waarde en turgor nemen af

d)

De osmotische waarde en turgor nemen toe

8.

Twee uitspraken:

1) Het transport van water door de celmembraan kost energie

2) Het transport van koolstofdioxide vindt plaats door diffusie

Welke uitspraken zijn juist?

a)

beide onjuist

b)

alleen 1 is juist

c)

alleen 2 is juist

d)

beide juist

9.

Proef met aardappelstaafjes

Uit een aardappel worden enkele staafjes gesneden. De staafjes zijn even lang en even dik. Ze worden in verschillende suikeroplossingen gelegd. Een dag later wordt de lengte van de staafjes gemeten. Het resultaat hiervan is weergegeven in het diagram van de afbeelding. Ook de lengte van de staafjes vóór de proef is in het diagram weergegeven.


Bij welke van de in het diagram aangegeven suikerconcentraties is de turgor van de aardappelcellen het hoogst?

a)

bij concentratie P

b)

bij concentratie Q

c)

bij concentratie R

d)

bij concentratie S

10.

Volgens Elaine Morgan zijn 'echte tranen' hypotonisch ten opzichte van de bloedvloeistof: het traanvocht heeft een lagere concentratie aan opgeloste deeltjes (een lagere osmotische waarde) dan de bloedvloeistof.

Om te testen of dit waar is, brengt een leerling een druppel bloed en een traan op een voorwerpglaasje met elkaar in contact.


Wat neemt hij onder de microscoop waar als Elaine Morgan gelijk heeft?

a)

De rode bloedcellen blijven even groot

b)

De rode bloedcellen blijven krimpen

c)

De rode bloedcellen blijven zwellen op

11.

Hiernaast is de hormonale regeling van de voortplanting bij de vrouw schematisch weergegeven. De pijlen geven een stimulerende of een remmende invloed weer.

Welk van de pijlen 1 t/m 3 geeft of welke pijlen geven een stimulerende werking weer?

a)

1, 2 en 3

b)

1 en 3

c)

3

d)

2

12.

Bij welk proces treedt bij de meeste dieren meiose op?

a)

bij de bevruchting

b)

bij de vorming van geslachtscellen

c)

bij ongeslachtelijke voortplanting

d)

bij de deling van bijvoorbeeld huidcellen

13.

De menselijk cel bevat 46 chromosomen.

Hoeveel chromatiden bevat een menselijke cel maximaal tijdens de mitose?

En hoeveel centromeren bevat een menselijke cel maximaal tijdens de mitose?

a)

46 chromatiden ; 46 centromeren

b)

92 chromatiden ; 46 centromeren

c)

46 chromatiden ; 23 centromeren

d)

92 chromatiden ; 92 centromeren

14.

Wat wordt bedoeld met: een cel is 2n?

a)

De cel heeft chromosomen met twee chromatiden

b)

De cel heeft twee chromosomen.

c)

De cel heeft n paren chromosomen

d)

De cel heeft twee paar chromosomen.

15.

Waar hoort deze formule bij?

2n --> n + n

a)

mitose

b)

meiose 1

c)

meiose 2

d)

bevruchting

16.

In de afbeelding is een cel schematisch weergegeven. In welke fase van de celcyclus is deze cel?

a)

M-fase

b)

S-fase

c)

G0-fase

d)

G1-fase

17.

Soms is IVF de enige manier voor een man en een vrouw om kinderen te krijgen. Bij deze methode worden eicellen uit de ovaria gehaald. In een voedingsmedium worden deze eicellen samengebracht met zaadcellen zodat bevruchting kan plaatsvinden. Na de bevruchting vindt de eerste ontwikkeling van de embryo's in het voedingsmedium plaats. Twee of meer embryo's worden daarna in de baarmoeder van de moeder ingebracht.


De volgende verschijnselen bij de vrouw kunnen ongewenste kinderloosheid tot gevolg hebben:


1 Tijdens het begin van de zwangerschap wordt het baarmoederslijmvlies afgestoten.

2 In de eileiders zijn verstoppingen aanwezig die de doorgang voor een eicel blokkeren.

3 Er treedt een sterke afweerreactie op tegen het embryo.


Bij welke van deze afwijkingen is de beschreven IVF-behandeling voor de vrouw mogelijk een oplossing om toch zwanger te worden?

a)

verschijnsel 1

b)

verschijnsel 2

c)

verschijnsel 3

18.

Meestal krijgt een koe slechts één kalfje per jaar. Van erg 'goede' koeien wil men graag veel kalveren hebben. Door middel van een speciale techniek kan dat worden bereikt. Door toediening van een hormoon is het mogelijk om in een koe meer dan één eicel tegelijk te laten rijpen. Vervolgens wordt via kunstmatige inseminatie (KI) sperma in de baarmoeder gebracht, waarna bevruchting van de eicellen in de eileiders van de koe plaatsvindt. Op het moment dat de embryo's in de baarmoeder aankomen, wordt deze gespoeld en worden de embryo's opgevangen. Deze embryo's worden dan in andere koeien ingebracht waar ze zich verder ontwikkelen.

Je mag er van uit gaan dat de werking van hormonen bij runderen overeenkomt met die bij de mens.


Welk hormoon kan, na kunstmatige toediening, het rijpen van meer eicellen tegelijk bevorderen?

a)

FSH

b)

LH

c)

oestrogeen

d)

progesteron