wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Globalisering

Total questions: 29

Worksheet time: 14mins

Name
Class
Date
1.
Welke omschrijving past het beste bij een multipolaire wereldeconomie?
a)
De wereldeconomie bestaat uit drie machtsblokken.
b)
Ook in de BRICS-landen liggen belangrijke economische centra.
c)
Handelsgrenzen scheiden economische machtsblokken.
d)
Protectionisme is eerder regel dan uitzondering.
2.
Het grootste voordeel van goederentransport met een container is dat
a)
de containerschepen havens over de hele wereld verbinden.
b)
de containers met meerdere soorten transportmiddelen kunnen worden vervoerd.
c)
containerschepen veel sneller zijn dan gewone vrachtschepen.
d)
er voor het laden en lossen van containers speciale havens zijn ontwikkeld.
3.
De verdere economische vervlechting van gebieden kan worden afgeremd door
a)
toenemende invloed van de WTO.
b)
daling van de transportkosten.
c)
importheffingen.
d)
verdere ontwikkeling van een multipolaire wereldeconomie.
4.
Goed bestuur is voor een land een belangrijke voorwaarde om tot ontwikkeling te komen. Welk van onderstaande kenmerken is geen goed voorbeeld van goed bestuur?
a)
bescherming van privébezit
b)
bevoordelen van de elite
c)
stimuleren van initiatief van de burgers
d)
vrije verkiezingen
5.
Na 1973 neemt de omvang van de wereldhandel veel sneller toe dan de omvang van de productie van industriegoederen. Wat is daar de belangrijkste oorzaak voor?
a)
daling van de transportkosten
b)
opdeling van de productieketen
c)
groei van de wereldbevolking
d)
global shift
6.
Beoordeel de volgende stellingen.
I Global shift stimuleert de ontwikkeling van een multipolaire wereldeconomie.
II Global shift tast de economische positie van de BRICS-landen in het wereldsysteem aan
a)
Alleen I is juist.
b)
Alleen II is juist.
c)
Beide zijn juist.
d)
Beide zijn onjuist.
7.
Westerse mno's delen de productieketen van goederen steeds meer op over verschillende gebieden. Dat doen ze omdat
a)
de transportkosten stijgen.
b)
de lonen in andere landen veel lager zijn.
c)
door de globalisering gebieden steeds meer vervlechten.
d)
de handelsgrenzen steeds meer verdwijnen.
8.
In onderstaande zinnen staan één of meer begrippen. Ze worden echter niet altijd correct gebruikt. Welke zin is juist?
a)
Na afloop van de Eerste Wereldoorlog worden veel Afrikaanse landen snel onafhankelijk.
b)
In de periode van het handelskolonialisme werden ook de binnenlanden van Afrika gekoloniseerd.
c)
De global shift is een belangrijke oorzaak van de globalisering.
d)
De afzetmarkt in de BRICS-landen is sterk toegenomen.
9.
Hoe wordt de groep met rijke landen (oftewel de koplopers) genoemd?
a)
Periferie
b)
Semiperiferie
c)
Centrumlanden
d)
BRICS-landen
10.
Hoe wordt de groep arme landen (achterblijvers) genoemd?
a)
Periferie
b)
Semiperiferie
c)
Centrumlanden
d)
BRICS-landen
11.
Waardoor konden de rijke landen zich na de Tweede Wereldoorlog snel ontwikkelen?
a)
Politieke rust
b)
Snelle bevolkingsgroei
c)
Slecht onderwijs
12.
Welk land is GEEN BRICS-land?
a)
Brazilie
b)
Rusland
c)
Indonesie
d)
China
13.
De overheid in rijke landen geven bedrijven geld om hun producten goedkoop te kunnen uitvoeren. Dit is?
a)
Importheffing
b)
Exportsubsidie
c)
Vrijhandel
14.
Welke conclusie kun je uit het figuur afleiden?
a)
In Brazilië is de Gini-coëfficiënt het hoogst.
b)
In Hongarije is de Gini-coëfficiënt het hoogst.
c)
De sociale ongelijkheid kun je niet uit het figuur afleiden.
15.
Wat gebeurt er met de relatieve afstand als de pont wordt vervangen door een brug?
a)
Wordt groter
b)
Blijft gelijk
c)
Wordt kleiner
16.

Hoe heet de beweging van mensen die ervan overtuigd zijn dat globalisering hoofdzakelijk nadelige gevolgen heeft?

a)

De nationalisten

b)

De pro-locals

c)

De ex-globalisten

d)

De anti- en / of andersglobalisten

17.

Wat is een synoniem voor cultuurimperialisme?

a)

cultuurverdringing

b)

cultuurvermenging

c)

cultuurverspreiding

d)

cultuuroorlog

18.

De Amerikaanse president Trump is een voorbeeld van:

a)

Een globalist

b)

Een andersglobalist

c)

Een antiglobalist

d)

Een monoglobalist

19.

Andersglobalisten zijn principieel tegen elke vorm van globalisering.

Is dit juist of fout?

a)

Juist

b)

Fout

20.

Welke organisatie werd opgericht in 1944, tegelijk met zusterorganisatie de Wereldbank, in het kader van de wederopbouw van het internationale betaalverkeer na de Tweede Wereldoorlog?

a)

IMF

b)

Bretton Woods

c)

Internationale Bank van Europa

d)

Verenigde Naties

21.

Geef aan welk element niet past bij argumenten die anti-globalisten typisch aanhalen om kritiek te geven op de globalisering?

a)

Ontwikkelingslanden wegen te weinig door in de besluitvorming van de WTO

b)

Internationale handel zorgt ervoor dat de consument producten aan de laagst mogelijke prijs kan kopen, zodat je bij een defect toestel gewoon een nieuw koopt en niet probeert te herstellen.

c)

Multinationals profiteren van de voordelen van vrijhandel maar nemen geen verantwoordelijkheid voor de eventuele negatieve milieueffecten of sociale effecten

d)

Arbeidsrechten worden op globale schaal met de voeten getreden

22.
Wat is de 'Wereldtriade'? De drie dominerende handelsblokken:
a)
Noord-Amerika, Japan en de EU
b)
Zuid-Oost Azie, Noord-Amerika en de EU
c)
China, Noord-Amerika en Japan
d)
Japan, Midden-Oosten en de EU
23.
Wat zijn de Newly Industrialized Countries (NIC's)? Voormalige arme landen die ....
a)
... zich ontwikkeld hebben tot welvarende landen
b)
... door de export van grondstoffen rijk geworden zijn
c)
... de rijkste landen in Afrika geworden zijn
24.
Op welke manier doen Nederlandse bedrijven aan marktgerichte globalisering?
a)
door hun productie naar een land met een grote afzetmarkt te verplaatsen
b)
door gericht te exporteren naar arme landen
25.

Wanneer het ene gebied profiteert van de arbeid, goederen en kapitaal van een ander gebied...

a)

heet dit braindrain

b)

heet dit cirkelmigratie

c)

heet dit afroming

d)

heet dit uitputting

26.

Groei van de bevolking (mega)-steden wordt voornamelijk veroorzaakt door:

a)

Door de sterke economische groei in de stad

b)

Door push-factoren vanuit de stad

c)

De sterke migratie van het platteland naar de stad

d)

Hoge natuurlijke bevolkingsgroei in de stad

27.

Subcontracting is...

a)

Het uitbesteden van productie aan kleine lokale fabrieken

b)

Uitschuiving van de productie naar goedkope landen

c)

Het inwisselen van arbeid voor kapitaal

d)

Het instellen van meer economische zones

28.

Hoe wordt de theorie van Ullman ook wel genoemd?

a)

De interactietheorie

b)

De theorie van goederenstromen

c)

De theorie van verplaatsing

29.

Wat betekent het begrip complementariteit?

a)

Iemand die veel complimenten geeft

b)

Aanvulling tussen 2 of meer gebieden op aarde

c)

Moeilijk overbrugbare afstand