wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Havo 4 Thema 1 en 2 vragen Biol2

Total questions: 15

Worksheet time: 8mins

Name
Class
Date
1.

In welke optie staan de organisatieniveau's in de juiste volgorde van KLEIN naar GROOT?

a)

molecuul-cel-organisme-populatie-biosfeer-ecosysteem

b)

molecuul-orgaan-organisme-biosfeer-populatie-ecosysteem

c)

biosfeer-ecosysteem-organisme-orgaan-molecuul-cel

d)

molecuul-cel-orgaan-organisme-populatie-ecosysteem-biosfeer

2.

Onder de electronenmicroscoop is een cel zichtbaar met opvallend veel mitochondriën. Uit welk weefsel is deze cel waarschijnlijk afkomstig?

a)

dekweefsel

b)

beenweefsel

c)

kraakbeenweefsel

d)

spierweefsel

3.

Een onderzoeker bekijkt een druppel bloed onder de microscoop. Terwijl hij kijkt, voegt hij een druppel gedestilleerd water toe aan het bloed. Hij ziet dat de cellen veranderen.

Is er sprake van actief of passief transport? En wat gebeurt er met de rode bloedcellen?

a)

Actief transport en de rode bloedcellen krimpen

b)

Actief transport en de rode bloedcellen zwellen op

c)

Passief transport en de rode bloedcellen krimpen

d)

Passief transport en de rode bloedcellen zwellen op

4.

Voor een infuus wordt een fysiologische zoutoplossing gebruikt. Dit is een oplossing van 0,9% zout in water.

Je maakt 250 ml fysiologische zoutoplossing. Hoeveel zout moet je dan oplossen?

a)

2,25 gram

b)

2,50 gram

c)

22, 5 gram

d)

0,25 gram

5.

Waardoor wordt het vacuolevocht omgeven?

a)

vacuolemembraan

b)

celmembraan

c)

kernplasma

d)

cytoplasma

6.

Hoe heten de ruimte tussen de cellen, waar de cellen niet helemaal op elkaar aansluiten?

a)

chromoplast

b)

vacuole

c)

intercellulaire ruimte

d)

plastiden

7.

Welk hormoon wordt na de eisprong geproduceerd door het gele lichaam?

a)

progesteron

b)

oestrogeen

c)

LH

d)

FSH

8.

Wat is het effect van oestrogeen op het baarmoederslijmvlies?

a)

het wordt dikker

b)

het wordt dunner

c)

het breekt af

9.

Wat gebeurt er in de M-fase van de celcyclus?

a)

verdubbeling van het DNA

b)

celdeling

c)

celgroei

d)

niets

10.

Na de S-fase (DNA replicatie) bestaat elk chromosoom uit 2

a)

chromatiden

b)

celorganellen

c)

dochtercellen

d)

centromeren

11.

In de afbeelding staat een schema voor het uitvoeren van onderzoek. Wat hoort er op nummer 1, 2 en 3 te staan?

a)

1 = resultaten 2 = conclusie 3 = experiment

b)

1 = experiment 2 = resultaat 3 = conclusie

c)

1 = experiment 2 = conclusie 3 = resultaat

d)

1 = conclusie 2 = resultaat 3 = experiment

e)

1 = resultaat 2 = experiment 3 = conclusie

12.

Na hoeveel maanden is bij een zwangerschap het gele lichaam verdwenen?

a)

1 maand

b)

2 maanden

c)

3 maanden

d)

9 maanden

13.

Wat zijn collageen vezels?

a)

lijmvormende vezels die zorgen voor stevigheid

b)

lijmvormende vezels die zorgen voor eiwitten

c)

lijmvormende vezels die zorgen voor cellulose

d)

lijmvormende vezels die zorgen voor osmose

14.

Hoeveel haploïde cellen ontstaan er na meiose I uit 1 cel?

En na meiose 2?

a)

2 cellen ; 4 cellen

b)

2 cellen ; 2 cellen

c)

4 cellen ; 4 cellen

d)

1 cel ; 2 cellen

15.

Welk cijfer in de afbeelding geeft de kernporiën aan?

a)

nummer 3

b)

nummer 6

c)

nummer 4

d)

nummer 5