wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Quantumwereld

Total questions: 18

Worksheet time: 25mins

Name
Class
Date
1.
Wat wordt door het dubbelspleet experiment bewezen?
a)
dat deeltjes ook golfgedrag kunnen vertonen (zoals buiging en interferentie)
b)
dat de energie van atomen gequantiseerd is
c)
dat elektronen kunnen worden beschouwd als deeltjes in een doos
d)
dat licht uit deeltjes bestaat
2.
De de Broglie-golflengte kan worden berekend met de formule
a)
λ=hc/E
b)
λ=h/mv
c)
λ=p/h
d)
λ= h/pv
3.
Hoe kleiner de snelheid van een deeltje, des te (groter/kleiner) is de de Broglie-golflengte
a)
kleiner
b)
groter
c)
dat kun je niet weten
4.
Goed of fout: voor fluorescentie moet een stof een metastabiele toestand hebben
a)
fout
b)
goed
5.

Voor het laagste energieniveau van een deeltje in een 1-dimensionale doos geldt de formule

a)

E = 3.h^2/(8mL^2)

b)

E = h^2/(8mL^2

6.

Voor fotonenergie van de grootste golflengte in het emissiespectrum van een deeltje in een 1-dimensionale doos geldt de formule

a)

E = 1.h^2/(8mL^2

b)

E =4. h^2/(8mL^2

c)

E =9. h^2/(8mL^2

d)

E = 3.h^2/(8mL^2

7.
Goed of fout: hoe groter de snelheid van een deeltje, des te groter is de kans op quantumgedrag als het deeltje interacties heeft met een voorwerp
a)
fout
b)
goed
8.
de energie van de grondtoestand van een waterstofatoom kun je bepalen met de formule E = h.f
a)
fout
b)
goed
9.
De energieniveaus van een waterstofatoom volgen uit de formule E = -13,6/n^2 (in eV). Een waterstofatoom zendt een foton uit met een energie van 12,1 eV. Dit correspondeert met een overgang van
a)
de grondtoestand naar de 1e aangeslagen toestand
b)
de grondtoestand naar de 2e aangeslagen toestand
c)
de 2e aangeslagen toestand naar de grondtoestand
d)
de 1e aangeslagen toestand naar de grondtoestand
10.
De energie van een foton kun je berekenen met de formule
a)
E = h.c/f
b)
E = h.λ/c
c)
E = λ.c/h
d)
E = h.c/λ
11.
Welk proefje laat de onbepaaldheidsrelatie van Heisenberg goed zien?
a)
Het twee speten experiment
b)
Als een golf een steeds smallere spleet treft, waaiert de golffunctie na de spleet juist steeds breder uit
c)
Bij een STM tunnelt een elektron door het vacuum van het object naar de aftastnaald.
12.
In de figuur zie je een aantal golffuncties van het elektron in een waterstofatoom. Welke conclusie is juist?
a)
hoe hoger het quantumgetal n des te groter de snelheid van het elektron
b)
hoe hoger het quantumgetal, des te hoger de potentiele energie van het elektron
c)
hoe hoger het quantumgetal des te lager de potentiele energie van het elektron
d)
hoe lager het tweede quantumgetal (spd,..), des te dichter zit het elektron bij de kern
13.

Een kogel van 20 g wordt met een snelheid van 1000 m/s afgevuurd op een stropop op 2,5 km afstand. Deze beweging is in de x-richting. De pop heeft een breedte van 50 cm. Maak met de onbepaaldheidsrelatie een schatting van de eis die aan Δy gesteld wordt en leg uit of de stropop gemist kan worden door quantumverschijnselen.

a)

Δy < 1.10^-32 m; kan niet gemist worden door QM

b)

Δy > 1.10^-32 m; kan niet gemist worden door QM

c)

Δy < 1.10^+32 m; kan niet gemist worden door QM

d)

Δy > 1.10^+32 m; kan gemist worden door QM

14.
De impuls p is een maat voor de hoeveelheid beweging en wordt berekend met
a)
p=mv
b)
p=0,5mv
c)
p=0,5mv2
d)
p=m/v
15.
De debroglie-golflengte van een materiedeeltje hangt af van..
a)
alleen de massa van het deeltje.
b)
alleen de snelheid van het deeltje.
c)
alleen de impuls van het deeltje.
d)
alleen de energie van het deeltje.
16.

Een elektron heeft een energie van 20 eV.

De bijbehorende de Brogliegolflengte is ..

a)

6,2*10-2 m.

b)

2,7*10-10 m.

c)

1,6*10-19 m.

d)

6,6*10-34 m.

17.
De bohrstraal heeft een waarde van 5,3*10-11 m.
De bohrstraal geeft aan:
a)
de straal van een elektron.
b)
de halve diameter van een proton.
c)
de doorsnede van een waterstofatoom.
d)
de gemiddelde afstand van een elektron tot de kern van een waterstoftoom.
18.

In de figuur zie je voor een bepaald eendimensionaal doosje de potentiële energie, een paar golffuncties en een gekwadrateerde golffunctie. Welke bewering(en) over een deeltje in deze doos is/zijn goed:

a)

in de grondtoestand is de kans nul om het deeltje bij x<0 te vinden.

b)

de snelheid van een deeltje in de doos is voor x>0 groter dan voor x<0

c)

de totale energie van een deeltje in de 4e aangeslagen toestand is groter dan de maximale potentiële energie van 2eV

d)

in de tweede aangeslagen toestand is de energie 0,73 eV. De kans om het deeltje bij x>0 aan te treffen is kleiner dan die om het deeltje bij x<0 aan te treffen.

e)

in de tweede aangeslagen toestand is de kans om het deeltje in het interval [0,1] aan te treffen groter dan de kans om het deeltje in [1,2] aan te treffen.