WorksheetsTegenwoordige tijd 1
Total questions: 10
Worksheet time: 2mins
Name
Class
Date
1.
Mijn zusje .......................... (huilen) van verdriet
a)
huilt
b)
huild
2.
Henk ................................... (krassen) op de bank.
a)
krasst
b)
krast
3.
Ik ......................... (graven) een diepe kuil.
a)
graaf
b)
graf
4.
De beer ............................ (brommen) tegen de oppasser.
a)
brommt
b)
bromt
5.
Je ........... (winnen) al heel wat knikkers.
a)
winnt
b)
wint
6.
De torenhaan .............. (wijzen) naar het noorden.
a)
wijst
b)
wijzt
7.
De boer ............. (zaaien) het koren.
a)
zaaid
b)
zaait
8.
Het ................ (regenen) onophoudelijk.
a)
regent
b)
regend
9.
Joyce ............... (kauwen) op een stroopwafel.
a)
kauwd
b)
kauwt
10.
Lara ........... (plukken) een bloem.
a)
plukt
b)
plukd
100 %
