wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Wijzer! Natuur Gr7 H2

Total questions: 30

Worksheet time: 30mins

Name
Class
Date
1.

Wat is hetzelfde als "een doorgeslagen stop"?

a)

de meterkast is kapot

b)

de bliksem is ingeslagen in huis

c)

de aardlekschakelaar staat fout

d)

de aardlekschakelaar heeft de bliksem gestopt

2.

Wat is waar over de polen van een magneet?

a)

Een magneet heeft één of twee polen.

b)

De aarde heeft een noordpool en een zuidpool, net als magneten.

c)

Twee dezelfde polen trekken elkaar aan.

d)

Een noordpool en een zuidpool stoten elkaar af.

3.

Waar is de kracht van een magneet het sterkst?

a)

In het midden

b)

Bij de noordpool

c)

Bij z'n zuidpool

d)

Bij allebei de polen

4.

Waarvoor werden magneten vroeger al gebruikt?

a)

voor de koelkastdeur

b)

voor de luidsprekers

c)

om afval te scheiden

d)

als kompas

5.

Een draadje waar stroom doorheen gaat is magnetisch. Hoe maak je het sterker magnetisch?

a)

meer stroom erdoor

b)

grotere batterij eraan

c)

langer draadje

d)

draadje oprollen tot een spoeltje

6.

Wat is NIET waar over een stroomdraadje?

a)

Het koper erin geleidt de stroom.

b)

Het plastic eromheen isoleert de stroom.

c)

Zonder isolator zou de stroom misschien een ander pad volgen.

d)

Stroom kan niet zo snel door koper heen.

7.

Een spoel is

a)

een opgerold stuk koperdraad

b)

koperdraad met isolatie eromheen

c)

stroomdraad waar water doorheen kan

d)

stroomdraad waar stroom heel snel doorheen kan

8.

Hoe stop je het magnetisch veld van een elektromagneet?

a)

Het spoeltje afwikkelen.

b)

De stroom stoppen.

c)

De stroom omkeren met een andere magneet.

d)

Dat kun je niet: magneten blijven magneten tot de stroom op is.

9.

Wat is een relais?

a)

Een apparaatje dat een ander apparaatje aan- en uitzet.

b)

Een dingetje met een elektromagneet.

c)

Een dingetje dat soms magnetisch is en soms niet.

d)

Een magneet die je aan en uit kunt zetten.

10.

Wat werkt er NIET met een relais?

a)

De buitenlamp die aangaat als het donker wordt.

b)

De bewegingsmelder op school die het alarm inschakelt als er iets beweegt.

c)

De verwarming die aanslaat als het koud wordt in de kamer.

d)

De elektromagneet bij de vuilverbranding die ijzer uit het vuil haalt.

11.

Hoe kun jij zelf stroom maken?

a)

Met een stopcontact.

b)

Met een batterij.

c)

Met een accu.

d)

Met een dynamo.

12.

In een energiecentrale gebruiken ze ook een soort grote dynamo, net als op je fiets. Dat heet een ..

a)

relais.

b)

elektromagnetische dynamo.

c)

generator.

d)

turbine.

13.

Bij een dynamo zorgt je ronddraaiende band voor beweging. Wat zorgt voor beweging bij een generator?

a)

Vuur.

b)

Opstijgende lucht.

c)

Stoom die wil ontsnappen.

d)

Vallend water.

14.

Bij een dynamo zorgt je ronddraaiende band voor beweging. Wat zorgt voor beweging bij een windmolen?

a)

Wind die tegen de wieken waait.

b)

Opstijgende lucht.

c)

Zonnestralen.

d)

Vallend water.

15.

Wat is een turbine?

a)

Een soort wiel dat gaat draaien door stoomkracht of wind.

b)

Een apparaat dat alleen magnetisch is als er stroom doorheen gaat.

c)

Een apparaat dat met 'n magneet en spoel stroom maakt als een van de twee ronddraait.

d)

Een apparaat waarmee je een stroomkring kunt verbreken.

16.

Wat is een elektromagneet?

a)

Een soort wiel dat gaat draaien door stoomkracht of wind.

b)

Een apparaat dat alleen magnetisch is als er stroom doorheen gaat.

c)

Een apparaat dat met 'n magneet en spoel stroom maakt als een van de twee ronddraait.

d)

Een apparaat waarmee je een stroomkring kunt verbreken.

17.

Wat is een schakelaar?

a)

Een soort wiel dat gaat draaien door stoomkracht of wind.

b)

Een apparaat dat alleen magnetisch is als er stroom doorheen gaat.

c)

Een apparaat dat met 'n magneet en spoel stroom maakt als een van de twee ronddraait.

d)

Een apparaat waarmee je een stroomkring kunt verbreken.

18.

Wat is een dynamo?

a)

Een soort wiel dat gaat draaien door stoomkracht of wind.

b)

Een apparaat dat alleen magnetisch is als er stroom doorheen gaat.

c)

Een apparaat dat met 'n magneet en spoel stroom maakt als een van de twee ronddraait.

d)

Een apparaat waarmee je een stroomkring kunt verbreken.

19.

Wat is NIET waar?

a)

Een elektromotor is een omgekeerde dynamo.

b)

Tandwielen in een boor zorgen dat de beweging sneller gaat.

c)

In een computer zit een elektromotor.

d)

Een SSD-harddisk in de computer draait heel snel.

20.

Op sommige plaatsen heb je geen stroom, maar wel stroom nodig, bijv. bouwplaatsen. Dan levert een generatortje stroom. Waarvoor is de blauwe tank?

a)

Water, om stoom te maken.

b)

Benzine, voor een verbrandingsmotor.

c)

Koelvloeistof, om de motor te koelen.

d)

Olie, om de motor te smeren.

21.

Als een batterij werkt, dan gaan de elektronen van ..

a)

hoog naar laag

b)

van batterij naar lampje

c)

van min naar plus

d)

van de onderkant naar de bovenkant van de batterij

22.

Heeft een elektron een lading?

a)

Ja, een positieve lading.

b)

Ja, een negatieve lading

c)

Soms wel en soms niet, dat ligt aan de batterij.

d)

Nee, een elektron is neutraal.

23.

Wat is GEEN goede isolator voor elektronen?

a)

hout

b)

plastic

c)

rubber

d)

metaal

24.

Wat is kortsluiting?

a)

Stroom neemt de kortste weg als een stroomkring kapot is.

b)

Onderdeeltje in een apparaat dat de stroomkring verbreekt als er wat mis gaat.

c)

Een apparaatje in de meterkast dat de stroomkring verbreekt als er wat mis gaat.

d)

Bij een storing kan de stroom naar de grond worden afgevoerd.

25.

Wat is een zekering?

a)

Stroom neemt de kortste weg als een stroomkring kapot is.

b)

Onderdeeltje in een apparaat dat de stroomkring verbreekt als er wat mis gaat.

c)

Een apparaatje in de meterkast dat de stroomkring verbreekt als er wat mis gaat.

d)

Bij een storing kan de stroom naar de grond worden afgevoerd.

26.

Wat is een stop?

a)

Stroom neemt de kortste weg als een stroomkring kapot is.

b)

Onderdeeltje in een apparaat dat de stroomkring verbreekt als er wat mis gaat.

c)

Een apparaatje in de meterkast dat de stroomkring verbreekt als er wat mis gaat.

d)

Bij een storing kan de stroom naar de grond worden afgevoerd.

27.

Wat is geaard?

a)

Stroom neemt de kortste weg als een stroomkring kapot is.

b)

Onderdeeltje in een apparaat dat de stroomkring verbreekt als er wat mis gaat.

c)

Een apparaatje in de meterkast dat de stroomkring verbreekt als er wat mis gaat.

d)

Bij een storing kan de stroom naar de grond worden afgevoerd.

28.

Wat is waar over het haar van dit jongetje?

a)

Z'n haar zit vol stroom.

b)

Er stroomt lading uit zijn haar naar de lucht.

c)

Door de negatieve lading in z'n haren stoten die elkaar af.

d)

Zulk haar krijg je als je een elektrische schok krijgt.

29.

Waar zie je GEEN statische elektriciteit?

a)
b)
c)
d)
30.

Als je een klus doet met elektriciteit, bijvoorbeeld een lamp ophangen, hoe zorg je dan dat je geen schok krijgt?

a)

Geen elektriciteitsdraden aanraken.

b)

Elektriciteitsdraden alleen bij de isolator vastpakken.

c)

Met een spanningzoeker kijken welke draad gevaarlijk is.

d)

In de meterkast de stroom in huis afzetten.