NEW
Font size
WorksheetsPWW1
Total questions: 15
Worksheet time: 8mins
Elle a les yeux bruns.
Ze heeft bruine ogen.
Ze heeft bruine haren.
Ze heeft groene schoenen.
Ze is goedgehumeurd.
Je doute s'il vient.
Ik heb geen zin om erheen te gaan.
Het is geweldig.
Het ging wel.
Ik twijfel eraan of hij komt.
C'est dommage.
Het is geweldig.
Het is jammer.
Het is leuk.
Het maakt me niet uit.
Het is vervelend / balen.
C'est formidable.
C'est ma cousine.
C'est embêtant.
C'est triste.
Hij draagt een bril.
Il porte des lunettes.
Il est joyeux.
Il s'est remarié.
Il est mince.
Le chat est costeaux. (De kat is stevig.) Costeaux is een ...
bijvoeglijk naamwoord
bijwoord
De trein rijdt langzaam. Le train roule ...
lent
lentment
lentement
Hij zingt geweldig. Il chante ...
formidable
formidablement
Haar stem is zacht en ze praat zacht.
Sa voix est ... et elle parle ...
doucement / douce
douce / doucement
Nous allons faire nos devoirs. Deze zin staat in de ...
futur proche
futur simple
Ik ga de wedstrijd winnen.
Je gagnerez le match.
Je gagneras le match.
Je gagnerai le match.
Je gagnerons le match.
un atelier
een tijdschrift
een oester
een boerderij
een workshop
croire
genoeg hebben van
geloven
groot worden
nadoen
het onderwijs
l'enseignement
la forêt
le verre
l'ambiance
scheiden
recevoir
pleurer
surmonter
divorcer
