wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

PWW1

Total questions: 15

Worksheet time: 8mins

Name
Class
Date
1.

Elle a les yeux bruns.

a)

Ze heeft bruine ogen.

b)

Ze heeft bruine haren.

c)

Ze heeft groene schoenen.

d)

Ze is goedgehumeurd.

2.

Je doute s'il vient.

a)

Ik heb geen zin om erheen te gaan.

b)

Het is geweldig.

c)

Het ging wel.

d)

Ik twijfel eraan of hij komt.

3.

C'est dommage.

a)

Het is geweldig.

b)

Het is jammer.

c)

Het is leuk.

d)

Het maakt me niet uit.

4.

Het is vervelend / balen.

a)

C'est formidable.

b)

C'est ma cousine.

c)

C'est embêtant.

d)

C'est triste.

5.

Hij draagt een bril.

a)

Il porte des lunettes.

b)

Il est joyeux.

c)

Il s'est remarié.

d)

Il est mince.

6.

Le chat est costeaux. (De kat is stevig.) Costeaux is een ...

a)

bijvoeglijk naamwoord

b)

bijwoord

7.

De trein rijdt langzaam. Le train roule ...

a)

lent

b)

lentment

c)

lentement

8.

Hij zingt geweldig. Il chante ...

a)

formidable

b)

formidablement

9.

Haar stem is zacht en ze praat zacht.

Sa voix est ... et elle parle ...

a)

doucement / douce

b)

douce / doucement

10.

Nous allons faire nos devoirs. Deze zin staat in de ...

a)

futur proche

b)

futur simple

11.

Ik ga de wedstrijd winnen.

a)

Je gagnerez le match.

b)

Je gagneras le match.

c)

Je gagnerai le match.

d)

Je gagnerons le match.

12.

un atelier

a)

een tijdschrift

b)

een oester

c)

een boerderij

d)

een workshop

13.

croire

a)

genoeg hebben van

b)

geloven

c)

groot worden

d)

nadoen

14.

het onderwijs

a)

l'enseignement

b)

la forêt

c)

le verre

d)

l'ambiance

15.

scheiden

a)

recevoir

b)

pleurer

c)

surmonter

d)

divorcer