wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Woordenschat deel 1

Total questions: 50

Worksheet time: 8mins

Name
Class
Date
1.

Citeren

a)

Weergeven in andere bewoordingen

b)

Weergeven in de exacte bewoordingen van de bron

c)

Weergeven in een andere taal

d)

Niet weergeven

2.

Uitvaardigen

a)

Een besluit bekend maken

b)

Een besluit schrappen

c)

Ten grave dragen

d)

Een besluit aanpassen

3.

recruteren

a)

Doden

b)

Verwijderen

c)

Aanwerven

d)

Ontslaan

4.

bizar

a)

rommelig

b)

kunstig

c)

vreemd

d)

Arabisch

5.

tenminste

a)

minstens

b)

of toch

c)

uiteindelijk

d)

het minste

6.

jurist

a)

iemand die rechten gestudeerd heeft

b)

rechter

c)

procureur

d)

griffier

7.

amputeren

a)

opereren

b)

euthenaseren

c)

verdoven

d)

ledemaat verwijderen

8.

Fysisch

a)

m.b.t. het lichaam

b)

m.b.t. de geest

c)

m.b.t. de natuurkunde

9.

dreggen

a)

uitdiepen van een rivier

b)

dichtmaken van een rivier

c)

graven van een kanaal

d)

vissen met een net

10.

relaas

a)

leugen

b)

verhaal

c)

excuus

d)

idee

11.

hyperventileren

a)

stoppen met ademen

b)

blokkering van de luchtwegen

c)

teveel zuurstof innemen

d)

Te weinig zuurstof innemen

12.

rapporteren

a)

evalueren

b)

melden

c)

punten geven

d)

straffen

13.

mentaal

a)

m.b.t. het lichaam

b)

m.b.t. de geest

c)

m.b.t. de natuurkunde

14.

fysiek

a)

m.b.t. het lichaam

b)

m.b.t. geest

c)

m.b.t. de natuurkunde

15.

bogen op iets

a)

neerkijken op iets

b)

profiteren van iets

c)

trots zijn op iets

d)

gebruik maken van iets

16.

accuraat

a)

op tijd

b)

geschikt

c)

nauwkeurig

d)

snel

17.

resoluut

a)

twijfelend

b)

met tegenzin

c)

met zelfoverschatting

d)

vastbesloten

18.

fouilleren

a)

iemand tegenhouden

b)

iemands zakken controleren

c)

iemand in de boeien slaan

d)

iemand arresteren

19.

voogdij

a)

ouderschap

b)

hoederecht

c)

co-ouderschap

d)

scheiding

20.

heilzaam

a)

gevaarlijk

b)

onnuttig

c)

christelijk

d)

genezend

21.

autoritair

a)

bazig

b)

onderdanig

c)

wispelturig

d)

eigenzinnig

22.

cosmetisch

a)

m.b.t. het lichaam

b)

m.b.t. de make-up

c)

m.b.t. het uiterlijk

d)

m.b.t. tot vrouw

23.

mitrailleur

a)

pistool

b)

machinegeweer

c)

snackbar snack

d)

rang in het leger

24.

redacteur

a)

iemand die teksten naleest

b)

iemand die teksten schrijft

c)

iemand die teksten kiest

d)

iemand die teksten vertaalt

25.

liposuctie

a)

maagverkleining

b)

siliconen onder de huid spuiten

c)

verwijderen van onderhuids vet

d)

de huid optrekken

26.

afgunstig

a)

jaloers

b)

nooit tevreden

c)

altijd beter weten

d)

niet veel geluk hebben

27.

megalomanie

a)

huidziekte

b)

grootheidswaanzin

c)

machtsmisbruik

d)

goedgelovigheid

28.

weerloos

a)

zonder verdediging

b)

zonder genade

c)

zonder geluk

d)

zonder nadenken

29.

toeverlaat

a)

biechtvader

b)

vijand

c)

dommerik

d)

vriend

30.

figurant

a)

niet professioneel acteur

b)

decorstuk

c)

acteur zonder tekst

d)

achtergrond, decordoek

31.

manipuleren

a)

fysiek mishandelen

b)

aanraken zonder toestemming

c)

beïnvloeden tegen zijn wil

d)

iemand correct inschatten

32.

meedogenloos

a)

zonder durven te kijken

b)

zonder na te denken

c)

zonder genade

d)

zonder geweld

33.

excelleren

a)

doodschieten

b)

uitmunten

c)

uitroeien

d)

in een rekenblad verwerken

34.

ostentatief

a)

met vertoon, opvallend

b)

kwaad

c)

teleurgesteld

d)

met veel lawaai

35.

status

a)

geld

b)

macht

c)

aanzien

d)

ego

36.

schroom

a)

ongerustheid

b)

eer

c)

gevoel van belangrijkheid

d)

schaamte

37.

relevant

a)

onthullend

b)

nieuw

c)

ter zake doende

d)

niet van toepassing

38.

potentieel

a)

elektrische kracht

b)

mogelijkheden

c)

mislukkingen

d)

uitdagingen

39.

marketen (van een product)

a)

verkopen

b)

kopen

c)

waarde inschatten

d)

op een bepaald publiek richten

40.

hypnose

a)

goocheltruuk

b)

buiten bewustzijn

c)

coma

d)

kunstmatige slaap

41.

fractie

a)

klein gedeelte

b)

politieke partij

c)

geheel

d)

een vaststaand feit

42.

efficiënt

a)

doeltreffend

b)

echt, feitelijk

c)

gedeelte

d)

slecht

43.

coördineren

a)

besturen

b)

leiden

c)

bepalen

d)

in goede banen leiden

44.

effectief

a)

echt, feitelijk

b)

doeltreffend

c)

straf

45.

ontlasten

a)

last wegnemen

b)

ontslaan

c)

uitladen

d)

contract opzeggen

46.

regime

a)

beleid

b)

dieet

c)

legereenheid

d)

strengheid

47.

status quo

a)

gelijke stand

b)

rockgroep

c)

vraagstelling

d)

standbeeld

48.

bilateraal

a)

rechtlijnig

b)

aan beide kanten

c)

loodrecht

d)

internationaal

49.

persiflage

a)

karikatuur

b)

perskaart

c)

achtervolging

d)

zandstrand

50.

obstructie

a)

obstakel

b)

fout

c)

uitleg

d)

invloed