Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Natuurkunde stoffen

Total questions: 29

Worksheet time: 25mins

Name
Class
Date
1.
Wat is een zuivere stof?
a)
Cola
b)
Bronwater (spa rood)
c)
Suiker
d)
Zuivere boslucht
2.
Tessa heeft een kopje thee gezet.
Ze houdt van zoet en doet er twee klontjes suiker bij.
Ze vraagt zich af wat nu het oplosmiddel is.
a)
de suiker
b)
het water
c)
de theeblaadjes
d)
de smaakstoffen uit de theeblaadjes
3.
Wat is geen stofeigenschap?
a)
grootte
b)
magnetisme
c)
kleur
d)
geur
4.
Brandbaarheid is een stofeigenschap.
a)
waar
b)
niet waar
5.
Metalen zijn goede geleiders.
a)
waar
b)
niet waar
6.
Geef een voorbeeld van een stof die je kan herkennen aan de geur.
a)
IJzer
b)
Steen
c)
Vuur
d)
Benzine
7.
Materiaalgroepen zijn materialen met dezelfde soort eigenschappen.
a)
niet waar
b)
waar
8.
Waar kan je hout aan herkennen?
a)
niet brandbaar
b)
kan geleiden
c)
moet je beschermen tegen schimmel
d)
moeilijk te bewerken
9.
Wat is waar over keramiek?
a)
is gemaakt van modder.
b)
is niet breekbaar.
c)
is brandbaar.
d)
is buigzaam.
10.
Wat is waar over plastics.
a)
plastic is iets anders dan kunststof.
b)
plastic wordt gemaakt van aardolie.
c)
is binnen een jaar verteerd.
d)
is duur om te maken.
11.
Chocolade is een:
a)
Zuivere stof
b)
Suspensie
c)
Oplossing
d)
Vast mengsel
12.
Thee is een:
a)
Zuivere stof
b)
Suspensie
c)
Oplossing
d)
Vast mengsel
13.
Wat is GEEN stofeigenschap?
a)
Dichtheid
b)
Kleur
c)
Temperatuur
d)
Smeltpunt
14.
5,0 cm3 van stof A heeft een massa van 10 gram
10 cm3 van stof B heeft een massa van 15 gram.
Welke stof heeft de GROOTSTE dichtheid
a)
A
b)
B
c)
Ze hebben beide de zelfde dichtheid
d)
Er zijn te weinig gegevens
15.
Welke van de volgende woorden is GEEN faseovergang?
a)
Smelten
b)
Condenseren
c)
Vernikkelen
d)
Verdampen
16.
Hoe bereken je van een voorwerp de dichtheid?
a)
Gewicht delen door volume
b)
Massa delen door volume
c)
Volume vermenigvuldigen met massa
d)
Opzoeken in het BINAS
17.
Een blokje heeft een dichtheid die iets groter is dan die van water. Wat gebeurd er met dit blokje als het in een bak water gooit?
a)
Het drijft.
b)
Het zakt een stukje onder water en blijft op bepaalde hoogte hangen
c)
Het zinkt naar de bodem
18.

Welk symbool hoort bij de volgende tekst: Product kan bij opname via de mond of de huid of bij inademen mogelijk kankerverwekkend zijn of op een andere manier schadelijk voor de gezondheid, bijvoorbeeld voor de voortplanting.

a)
b)
c)
d)
19.

Welk symbool hoort bij de volgende tekst: Product kan gemakkelijk vlam vatten als het in contact komt met een ontstekingsbron (brandende sigaret, lucifer, vonk). Zowel stoffen in een vaste substantie als vloeistoffen en gassen kunnen ontvlambaar zijn.

a)
b)
c)
d)
20.

Hieronder staan een aantal beweringen over deze ijzeren spijker. Welke van deze beweringen is GEEN stofeigenschap?

a)

De spijker is magnetisch

b)

De spijker heeft een hogere dichtheid dan water

c)

De spijker heeft kan goed elektriciteit geleiden

d)

De spijker heeft een scherpe punt

21.

Op welke van deze afbeeldingen is een maatcilinder afgebeeld?

a)
b)
c)
d)
22.

Welke bewering over een oplossing is ONJUIST?

a)

Een oplossing is altijd gekleurd

b)

Een oplossing is altijd helder

c)

Een oplossing is altijd een mengsel

23.

Welke bewering over een suspensie is ONJUIST?

a)

Een suspensie is altijd troebel

b)

Een suspensie is een mengsel van een fijn verdeelde vaste stof in een vloeistof

c)

Een suspensie is een mengsel van twee vloeistoffen

d)

Een suspensie is wit of gekleurd, maar nooit kleurloos

24.
Wat zegt de volgende afbeelding?
a)
licht ontvlambaar
b)
irriterend
c)
explosief
d)
giftig
25.
Wat zegt de afbeelding?
a)
dodelijk
b)
giftig
c)
schadelijk voor het milieu
d)
bijtend (corrosief)
26.
Wat zegt de afbeelding?
a)
paasvuur
b)
licht ontvlambaar
c)
ontvlambaar
d)
Pas op! Open vuur
27.

Wat is de eenheid van dichtheid

a)

g/cm3

b)

cm3/g

c)

kg/dm2

d)

dm3/kg

28.

Een voorwerp blijft zweven in een vloeistof als:

a)

de dichtheid van het voorwerp en de vloeistof gelijk zijn

b)

de dichtheid van het voorwerp groter is dan de vloeistof

c)

de dichtheid van het voorwerp kleiner is dan de vloeistof

d)

de dichtheid van een vloeistof is altijd kleiner dan van een voorwwrp, dus een voorwerp zinkt altijd in een vloeistof

29.

Willem en Henk hebben een discussie,

Willem zegt dat de dichtheid een stofeigenschap is.

Henk zegt dat de dichtheid alleen een stofeigenshap is van vaste stoffen.

Wie heeftgelijk?

a)

Willem

b)

Henk

c)

Willem en Henk

d)

Geen van beide