wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

hoofdstuk 7

Total questions: 27

Worksheet time: 14mins

Name
Class
Date
1.

Wat is de formule om het vermogen van een apparaat te berekenen?

a)

P = UI

b)

P = U * I

c)

U = IP

d)

U = P * I

2.

Wat is de formule van de wet van Ohm

a)

I= U x R

b)

U = I x R

c)

R= I x U

d)

U = I/R

3.

Wat betekent de U?

a)

de stroomsterkte

b)

de spanning

c)

de ohm

d)

de weerstand

4.

Wat betekent de R?

a)

de weerstand

b)

de spanning

c)

de stroomsterkte

d)

de oom

5.
Wat betekent de I?
a)
Stroomsterkte
b)
Irritant
c)
Ampère
d)
Volt
6.
Wat is het symbool voor volt?
a)
V
b)
A
c)
U
d)
I
7.
Wat betekent  de A?
a)
Ampère
b)
Volt
c)
Stroomsterkte
d)
Ampie
8.

Door een lamp stroomt een stroom van 2 A, de spanning door de lamp is 12 V. Hoe groot is de weerstand door de lamp?

a)

0,17 Ω

b)

6 Ω

c)

24 Ω

d)

14 Ω

9.

Hoe groot is de stroom door een weerstand van 7,5 Ω waarover een spanning van 15 V doorloopt.

a)

0,5 A

b)

112,5 A

c)

2 A

d)

7,5 A

10.
De spanning die een stopcontact in je huis geeft is....
a)
12 V
b)
24 V
c)
110 V
d)
230 V
11.

Stroom kan alleen lopen in een ............... stroomkring.

a)

Open

b)

Gesloten

c)

Onderbroken

12.
Een stroomkring kan geopend en gesloten worden met een....
a)
Batterij
b)
Lampje
c)
Weerstand
d)
Schakelaar
13.
Onderdelen in een schakelschema worden getekend met....
a)
Symbolen
b)
Schematische tekeningen
c)
Afbeeldingen van het onderdeel
14.

Als je 3 lampen in één stroom kring achter elkaar schakelt dan staan ze....

a)

In serie

b)

Parallel

15.
Wat voor schakeling wordt in de afbeelding weergegeven?
a)
Een serieschakeling
b)
Een parallelschakeling
16.
Het vermogen is de energie die een apparaat....
a)
Per seconde verbruikt
b)
Per minuut verbruikt
c)
Nodig heeft
d)
Oplevert
17.
Vermogen geef je aan in....
a)
Watt (W)
b)
Ampère (A)
c)
Volt (V)
d)
Coulomb (C)
18.
Een geleider laat stroom....
a)
Makkelijk door
b)
Niet door
c)
Moeilijk door
19.
Een isolator laat stroom....
a)
Makkelijk door
b)
Niet door
c)
Moeilijk door
20.
Wat gebeurt er met het draadje van een smelt-veiligheid (stop) als hij overbelast wordt?
a)
Smelt door
b)
Verbrand
c)
Ontploft
d)
Er gebeurt niks
21.
De aardlek-schakelaar schakelt alle groepen uit als....
a)
Stroom weglekt
b)
Er kortsluiting is
c)
Overbelasting is
22.
Wat betekent het volgende symbool?
a)
Lampje
b)
Batterij
c)
Schakelaar
d)
Meter
23.
Hoeveel Volt wijst de meter aan?
a)
10
b)
11
c)
12
d)
13
24.
Welke schakeling staat op het plaatje?
a)
Serieschakeling
b)
parallelschakeling
c)
hotelschakeling
d)
gemengde schakeling
25.
Het plaatje is het symbool van een:
a)
Batterij
b)
Een gesloten schakelaar
c)
Een geopende schakelaar
d)
Een lamp
26.
Hoeveel stroomkringen heeft het schakelschema in het plaatje?
a)
3
b)
5
c)
6
d)
7
27.

Koper is een

a)

goede elektrische geleider

b)

slechte elektrische geleider