wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

3 basis hoofdstuk 2 oefenen

Total questions: 20

Worksheet time: 10mins

Name
Class
Date
1.

In de stad is de snelheid van een auto eenparig.

a)

waar

b)

niet waar

2.

Bij een stilstaande auto is de netto-kracht op de auto nul.

a)

waar

b)

niet waar

3.

De snelheids-meter geeft de snelheid aan waarmee de auto op dat moment

rijdt.

a)

waar

b)

niet waar

4.

Het verschil tussen twee krachten is de resultante.

a)

waar

b)

niet waar

5.

In het verkeer wordt de snelheid gemeten in meter per seconde.

a)

waar

b)

niet waar

6.

Meter per seconde kort je af als m.p.s.

a)

waar

b)

niet waar

7.

Een kracht die je helpt, is een tegenwerkende kracht.

a)

waar

b)

niet waar

8.

Bij een versnelde beweging wordt de snelheid steeds groter.

a)

waar

b)

niet waar

9.

Bij een vertraagde beweging is de meewerkende kracht groter dan de tegenwerkende kracht.

a)

waar

b)

niet waar

10.

Rolwrijving is een tegenwerkende kracht.

a)

waar

b)

niet waar

11.

Als je erg moe bent, heb je een korte reactietijd.

a)

waar

b)

niet waar

12.

De remweg is de afstand die nodig is om te remmen tot je stilstaat.

a)

waar

b)

niet waar

13.

De remweg is korter dan de stopafstand.

a)

waar

b)

niet waar

14.

Met een kleinere massa heb je meer kracht nodig om te remmen.

a)

waar

b)

niet waar

15.

Door de kreukelzone wordt de remweg langer.

a)

waar

b)

niet waar

16.

Voor een versnelde beweging is een aandrijvende kracht nodig.

a)

waar

b)

niet waar

17.

Een helm is verplicht op een brom-scooter of motor.

a)

waar

b)

niet waar

18.

Op de achterbank van een auto mag je zelf beslissen of je de gordel

draagt.

a)

waar

b)

niet waar

19.

De airbag zorgt ervoor dat je niet uit je stoel vliegt bij een

botsing.

a)

waar

b)

niet waar

20.

De reactietijd is gemiddeld 1 seconde.

a)

waar

b)

niet waar