Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Taal H3

Total questions: 18

Worksheet time: 9mins

Name
Class
Date
1.
a)

De traktatie

b)

Het kostuum

c)

Het attractiepark

d)

Het feestvarken

2.
a)

De rondvaart

b)

De reisleider

c)

De parasol

d)

De vlucht

3.
a)

In de maling nemen

b)

Het te bont maken

c)

In het water vallen

d)

Het niet pikken

4.

Keetje is vandaag 8 jaar geworden. Ze is het feestvarken.

a)

Iemand die jarig is.

b)

Iets lekkers uitdelen, omdat je iets wilt vieren.

c)

Samen met andere kinderen iets vieren.

5.

Op het strand vind ik het lekker om onder een parasol te liggen.

a)

Een grote paraplu, die je beschermt tegen de zon.

b)

Met blote voeten in het water zitten of lopen.

c)

Een stoel die je gebruikt om op het strand te zitten.

6.

Op 1 april had Sep alle klokken een uur teruggezet. Hij had ons in de maling genomen.

a)

Geen oplossing meer zien.

b)

Niet laten gebeuren.

c)

Een grap met iemand uithalen.

7.

Een reden hebben om een feest te geven

a)

Het reuzenrad

b)

Trakteren

c)

Iets te vieren hebben.

d)

Het kostuum

8.

De plaats waar je naartoe gaat op vakantie.

a)

het vakantieoord

b)

zonnebaden

c)

overnachten

d)

bezichtigen

9.

Iets terugvinden

a)

Het niet meer zien zitten.

b)

Boven water komen.

c)

Het is weer raak

d)

Het niet pikken

10.

Tijn doet ................. aan tijdens het feest. Hij gaat verkleed als piraat.

a)

Een traktatie

b)

Het feestvarken

c)

Een kostuum

11.

We gaan met de klas naar een museum om schepen te .........

a)

zonnebaden

b)

overnachten

c)

bezichtigen

12.

Maak een goede zin in de gebiedende wijs.

a)

Ga staan!

b)

Gaat staan!

c)

Gaan staan!

d)

ging staan!

13.

Maak een goede zin in de gebiedende wijs.

a)

Opent de deur!

b)

Open de deur!

c)

Openenen de deur!

d)

Opende de deur!

14.

Maak een goede zin in de gebiedende wijs.

a)

Geven antwoord!

b)

Geeft antwoord!

c)

Geef antwoord!

d)

Gaf antwoord!

15.

Vul het juiste leesteken in. Hoe laat is het ____

a)

.

b)

!

c)

?

16.

Vul het juiste leesteken in. Hoera ____

a)

.

b)

!

c)

?

17.

Vul het juiste leesteken in. Pim leest een boek ____

a)

.

b)

!

c)

?

18.

NHet huis is best groot, maar de flat is nog veel ......

a)

groter

b)

grooter