wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Werkwoordspelling verleden tijd PV VT/VD

Total questions: 20

Worksheet time: 15mins

Name
Class
Date
1.

Het meisje ......... (barsten) in tranen uit gisteren.

a)

barste

b)

barstte

c)

barstten

d)

barst

2.

De stagiair is met zijn stage .............. (stoppen).

a)

gestopt

b)

gestopd

3.

Meneer Van Dongen heeft een stapel SO's ................. (verbranden).

a)

verbrand

b)

verbrandt

c)

verbrandd

d)

geverbrand

4.

Gisteren ................ (zoeken) hij een hele tijd naar jou.

a)

zoekt

b)

zoekte

c)

zocht

5.

De leerlingen uit de tweede klas hebben een culturele middag ............ (beleven)

a)

beleeft

b)

beleefd

c)

beleefte

d)

beleefde

6.

De docenten .............. (discussiëren) over de proefwerkweek.

a)

discussieerden

b)

discussieerde

c)

discussieerten

d)

discussieerte

7.

De school wordt na een lange tijd ............ (verbouwen).

a)

verbouwt

b)

verbouwte

c)

verbouwd

d)

verbouwde

8.

Afgelopen week ............ (stellen) de docent het nakijken uit.

a)

stelt

b)

stelde

c)

stelden

9.

De kinderen ............... (schateren) vrijdagavond van het lachen.

a)

schateren

b)

schaterde

c)

schaterden

10.

De hond heeft heel de avond op de grond ................ (slapen).

a)

slapen

b)

geslaapt

c)

geslaapd

d)

geslapen

11.

Sinterklaas ............ (delen) cadeautjes aan de kinderen uit.

a)

deelt

b)

deelde

c)

deelte

d)

deelden

12.

De pieten werden door een grimeuse .............. (grimeren).

a)

gegrimeert

b)

gegrimeren

c)

gegrimeerd

13.

Het kopen van pepernoten .......... (kosten) de stagiaire vier euro.

a)

kost

b)

koste

c)

kostte

d)

kostten

14.

De Pakjespiet ............... (pakken) de cadeautjes in met prachtig inpakpapier.

a)

pakten

b)

pakte

c)

pakt

d)

pak

15.

Heb ik jouw vraag op deze manier ................ (beantwoorden)?

a)

beantwoord

b)

beantwoordt

c)

beantwoordde

16.

Mijn zusje heeft drie sigaretten ............... (roken).

a)

roken

b)

rookt

c)

geroken

d)

gerookt

17.

De tante van Sophie .......... (betuttelen) mijn moeder te veel.

a)

betuttelt

b)

betuttelte

c)

betuttelde

d)

betuttelden

18.

Haar vader is op en neer ............. (rijden) om zijn dochters te halen.

a)

rijden

b)

gerijden

c)

gerijd

d)

gereden

19.

Vanwege hun verkoudheid .............. (kuchen) de leerlingen tijdens de toets.

a)

kuchen

b)

kuchde

c)

kuchte

d)

kuchten

20.

Ze heeft het antwoord op haar vraag ............. (googelen)

a)

googelt

b)

gegoogeld

c)

gegogelt

d)

gegoogelen