wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Werkwoordspelling megamonsterquiz

Total questions: 81

Worksheet time: 1hrs 15mins

Name
Class
Date
1.

Hij (wachten v.t.) heel lang op hem.

a)

wachte

b)

wachtte

c)

wachten

d)

wacht

2.

Hij gelooft dat jij hem leugens (vertellen)

a)

verteldt

b)

vertelt

c)

verteld

3.

(Verzenden) je broer het pakketje nog een keer?

a)

verzend

b)

verzendt

c)

verzond

d)

verzenden

4.

De helikopter (landen v.t.) op het eiland.

a)

Landt

b)

land

c)

landde

d)

lande

5.

Het elftal (strijden v.t.) voor de zege.

a)

Strijdt

b)

strijd

c)

streed

d)

streedt

6.

(Beantwoorden) jij dit vraag nog?

a)

Beantwoordt

b)

Beantwoord

c)

Beantwoordde

d)

Beantwoorde

7.

De kinderen (lachten v.t.) toen hij weer eens (morsen v.t.)

a)

lachden, morste

b)

lachten, morstte

c)

lachten, morste

d)

lachden, morstte

8.

Hoe lang (branden) die kaars al?

a)

brand

b)

brandt

c)

brandde

d)

brandte

9.

De jongen (vergroten v.t.) zijn voorsprong.

a)

vergroote

b)

vergrote

c)

vergrootte

d)

vergrotte

10.

Hij (verbazen) zich er niet over.

a)

verbaast

b)

verbaasd

c)

verbaasdt

d)

verbaasde

11.

Mijn moeder (hechten v.t.) veel waarde aan haar medaillon.

a)

hecht

b)

hechte

c)

hechtte

d)

hacht

12.

De storm (verwoesten v.t.) ons tuinhuisje.

a)

verwoeste

b)

verwoestte

c)

verwoesten

d)

verwoestten

13.
Ik (houden) van pizza met mozzarella
a)
houd
b)
hou
c)
houdt
d)
hout
14.
(Rijden) jij graag met de scooter naar school?
a)
Rijdt
b)
Rij
c)
Rijd
d)
Rijt
15.
Zoek het werkwoordelijk gezegde:
Jullie zouden het goede antwoord moeten weten.
a)
weten
b)
zouden
c)
zouden moeten
d)
zouden moeten weten
16.
(vinden)jouw moeder het goed dat je niet naar school gaat?
a)
vinden
b)
vind
c)
vint
d)
vindt
17.
Zoek het onderwerp:
Gisteren werden de koeien gemolken door de kinderen
a)
gemolken
b)
de kinderen
c)
de koeien
d)
werden
18.
Mijn oom (reizen) de hele wereld over met zijn bus.
a)
reist
b)
reizt
c)
reis
d)
reizen
19.
Het (gebeuren) elke week weer opnieuw.
a)
gebeurd
b)
gebeuren
c)
gebeurt
d)
gebeur
20.
Men ... (vermoeden) dat het morgen allemaal anders zal zijn.
a)
vermoedde
b)
vermoed
c)
vermoedt
d)
vermoeden
21.
De ... (begroten) kosten klopten niet.
a)
begrootte
b)
begroten
c)
begrote
d)
begroote
22.
... (vermoeden) je zus dat er iets aan de hand is?
a)
vermoed
b)
vermoedt
23.
De ... (redden) man werd door de ambulance afgevoerd.
a)
redden
b)
geredde
c)
reddende
d)
gerede
24.
Hij ... (upgraden) gisteren het programma op zijn laptop.
a)
upgraded
b)
upgrade
c)
upgradde
d)
upgradede
25.
Het ... (verbranden) huis was helemaal vernietigd.
a)
verbrande
b)
verbrandde
c)
verbranden
d)
verbrandte
26.
De ... (sluiten) winkel ging echt niet eerder open.
a)
geslote
b)
gesloten
27.
De groep boswachters ... (verbranden) veel bomen in dit deel van het bos, toen bleek dat er veel dode bomen tussen stonden.
a)
verbrandden
b)
verbrande
c)
verbrandde
d)
verbranden
28.

Noteer de persoonsvorm in tegenwoordige tijd:


Als je je klanten zo slecht … (behandelen), … (behouden) je ze niet; het is nodig dat je een betere service … (bieden).

a)

behandeld, behoudt, bied

b)

behandelt, behoud, biedt

c)

behandelt, behoudt, biedt

d)

behandeld, behoudt, biedt

29.

Noteer de persoonsvorm in de verleden tijd:


Het journaal … (melden) dat het regengebied zich snel … (uitbreiden) over heel Nederland.

a)

meldt, uitbreidt

b)

meldde, uitbreide

c)

meldde, uitbreidde

d)

melde, uitbreidde

30.

Noteer de persoonsvorm in verleden tijd:


Op het industrieterrein … (woeden) een enorme brand die twee fabrieken in de as … (leggen) en ook enkele kantoorpanden … (verwoesten).

a)

woedde, legde, verwoestte

b)

woede, legde, verwoestte

c)

woedde, legte, verwoesde

d)

woedde, legde, verwoeste

31.

Noteer de persoonsvorm in verleden tijd:


Toen we in de tuin … (barbecueën), … (verbranden) alle chorizoworstjes, doordat Jurgen niet goed … (opletten).

a)

barbecueden, verbrandden, oplette.

b)

barbecuedden, verbranden, oplette

c)

barbecueten, verbranden, opletde

d)

barbecueden, verbrandden, opletde

32.

Het ___________ (gebeuren) soms dat je een foutje maakt.

a)

gebeurd

b)

gebeurt

c)

gebeurdt

d)

gebeurde

33.

De _____________ (opgraven) munten _____________ (zien) er gisteren nog mooi uit.

a)

opgegrave, zien

b)

opgegraven, zien

c)

opgegrave, zagen

d)

opgegraven, zagen

34.

Je wordt goed _________ (belonen) als je de dader ____________ (vinden).

a)

beloond, vind

b)

beloont, vind

c)

beloond, vindt

d)

beloont, vindt

35.

Het ________________ (verkleden) kind speelt met poppen.

a)

verklede

b)

verkleden

c)

verkleedde

d)

verkleedden

36.

Het kind _________ (verkleden) zich regelmatig.

a)

verkleedde

b)

verkleedden

c)

verkleedt

d)

verkleed

37.

Vorige week __________ (verkleden) de kinderen zich ook al.

a)

verkleden

b)

verkleedde

c)

verkleedden

d)

verkleeden

38.

Hij heeft zich in een minuut ____________ (verkleden).

a)

verkleed

b)

verkleedt

c)

verkled

d)

verkleden

39.

Het kind _________ (zeven) gisteren het zand van de zandbak.

a)

zeevde

b)

zeefde

c)

zeefte

d)

zeevte

40.
Deze dj (samplen) veel fragmenten van bekende artiesten.
a)
sampleet
b)
samplet
c)
sampleët
d)
sampledt
41.
Wie (scrabbelen) er tegenwoordig nog via Wordfeud?
a)
scrabbelt
b)
scrabblet
c)
scrabbelet
d)
scrabbeldt
42.
Na het sporten Lisanne (shampooën) haar haar gisteren twee keer.
a)
shampoede
b)
shampode
c)
shampoode
d)
shampoo´de
43.
Die jongen heeft tijdens het huiswerkmaken alleen maar (snapchatten).
a)
snapgechat
b)
gesnapchatet
c)
gesnapchat
d)
gesnapchatte
44.
Na de landing (taxiën) het vliegtuig naar de juiste baan.
a)
taxiede
b)
taxiete
c)
taxide
d)
taxite
45.
Nadat Johanna felroze nagellak had aangebracht, (topcoaten) Johanna haar nagels.
a)
topcoatte
b)
topcoate
c)
topcoadte
d)
topcoat
46.
Die negatieve berichten ben ik zat. Daarom heb ik deze BN´er (unfollowen). 
a)
unfollowd
b)
geünfollowd
c)
geunfollowt
d)
geunfollowd
47.
Mijn buurjongen (vloggen) gisteren over zijn nieuwste game.
a)
vlogte
b)
vlogde
c)
vlogdte
d)
vlogt
48.
(Wiïen) jouw broer eigenlijk nog?
a)
wiit
b)
wiet
c)
wi´en
d)
wi´et
49.
Heb jij al eens (xeroxen)?
a)
gexeroxt
b)
gexeroxd
c)
gexeroxtet
d)
gexeroxed
50.
Alle leerlingen (youtuben) gisteren stiekem tijdens de les.
a)
youtubeten
b)
youtubeden
c)
youtube-den
d)
youtubedten
51.
Om een goede foto te maken, (zoomen) de fotograaf veertig keer in.
a)
zoomt
b)
zoomdt
c)
zoomet
d)
zoomedt
52.
Job heeft geen garantie meer op zijn iPhone, omdat hij deze heeft (jailbreaken).
a)
gejailbreaked
b)
gejailbreaket
c)
gejailbreakt
d)
jailgebreakt
53.
Jaren geleden (jumpstylen) veel leerlingen.
a)
jumpstyleden
b)
jumpstylden
c)
jumpstylede
d)
jumpstylede
54.
Freddy heeft drie maanden voor zijn team (keepen).
a)
gekeept
b)
gekeepd
c)
gekeepet
d)
gekeeped
55.
Het liefst (lunchen) Johan wel drie keer op een dag.
a)
lunchdt
b)
lunched
c)
luncht
d)
lunchte
56.
Heb jij vroeger ook (loomen)?
a)
geloomed
b)
geloemt
c)
geloomt
d)
geloomd
57.
Toen ze nog klein was, (memoryen) Heleen elke dag.
a)
memoriet
b)
memoryte
c)
memoryde
d)
memoriede
58.
Met Mindmup heeft de hele klas (mindmappen).
a)
gemindmapd
b)
gemindmapet
c)
gemindmapt
d)
gemindmaped
59.
Die man wil interessant doen: hij (namedroppen) alle bekende mensen die hij zogenaamd kent.
a)
namedropt
b)
namedropdt
c)
namedropet
d)
namedroped
60.
Karel is een chaoot, maar zijn zus (organizen) alles.
a)
organizt
b)
organizet
c)
organist
d)
organizedt
61.
Die moeder (pamperen) haar kinderen vroeger nooit.
a)
pamperde
b)
pamperte
c)
pamperd
d)
pampert
62.
Ik heb nog nooit (poloën).
a)
gepolod
b)
gepoloëd
c)
gepoloot
d)
gepolood
63.
Toen Henk zijn favoriete artiest (quoten), ga hij zijn lievelingscitaat.
a)
quootte
b)
quotte
c)
quoot
d)
g
64.
Na zes keer verloren te hebben in FIFA, (ragequitten) Joey.
a)
ragequite
b)
ragequitte
c)
ragequitde
d)
ragequidte
65.
Heeft onze docent alle toetsvragen (randomizen)?
a)
gerandomised
b)
gerandomizet
c)
gerandomized
d)
gerandomiset
66.
In de recensie wordt de nieuwste superheldenfilm goed (reviewen).
a)
gereviewd
b)
gerevieuwd
c)
gereviewt
d)
gerevieuwt
67.

Vul aan: Gisteren ... ik al per ongeluk al mijn gegevens.

a)

deleette

b)

deletede

c)

deletete

d)

delete

68.

Heb je vanochtend mijn nieuwe profielfoto ...?

a)

geliked

b)

gelikede

c)

ge-liked

d)

geliket

69.

Hij had al zijn gegevens op een externe harde schijf ...

a)

ge-savet

b)

gesavet

c)

gesavede

d)

gesaved

70.

Ik ... al zijn user data. (ovt)

a)

downloadt

b)

downloade

c)

downloadde

d)

download

71.

Hij ... elke dag een uurtje in de voormiddag.

a)

bridget

b)

bridged

c)

bridgt

d)

bridgd

72.

Hij zei dat hij z'n haar de volgende dag wel zou ...

a)

shampoën

b)

shampoo-en

c)

shampooen

d)

shampooën

73.

Ze heeft hem waarschijnlijk gisteren al ...

a)

ge-sms't

b)

gesms'd

c)

ge'smst

d)

ge-sms'd

74.

Ze ... de hele dag door.

a)

rugbyden

b)

rugby'den

c)

rugbieden

d)

rugby-den

75.

Hij ... als een echte pro.

a)

basebalt

b)

baseballt

c)

basebald

d)

baseballed

76.

Hij heeft zijn foto's met Jan en alleman ...

a)

geshart

b)

geshard

c)

gesharet

d)

geshared

77.
De stam van een Engels werkwoord maak je door -en eraf te halen.
a)
Waar
b)
Niet waar
78.
Engelse werkwoorden vervoeg je net als Nederlandse sterke werkwoorden.
a)
Waar
b)
Niet waar
79.
Welk werkwoord is goed vervoegd?
a)
Ik heb gemaild
b)
Ik heb gemailt
c)
Ik heb gemailend
d)
Ik heb gemailent
80.
Welk werkwoord is goed vervoegd?
a)
Hij coacht
b)
Hij coachd
c)
Hij coachen
d)
Hij coachdt
81.
Welk werkwoord is goed vervoegd?
a)
Is het geüpdatet?
b)
Is het geüpdate?
c)
Is het geüpdated?
d)
Is het geüpdadt?