wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Voorbereiding TW2 M4

Total questions: 90

Worksheet time: 44mins

Name
Class
Date
1.

Welke stoffen zijn alleen maar abiotisch?

a)

water, grond, biotoop, temperatuur

b)

grond, voedsel, lucht, neerslag

c)

vijand, aarde, water, bodem

d)

neerslag, roofdier, levensgemeenschap

2.

Welke voedselketen is juist

a)

gras - koe - mens

b)

mens - koe - gras

c)

mens --> koe --> gras

d)

gras --> koe --> mens

3.

welk organisme is autotroof?

a)

planteneter

b)

vleeseter

c)

bacterie

d)

alg

4.

Tot welke categorie behoren de afvaleters?

a)

reducenten

b)

producenten

c)

consumenten

d)

predatoren

5.

Wat zijn reducenten?

a)

bacteriën

b)

bacteriën en schimmels

c)

afvaleters

d)

eencellige diertjes

6.

Waarom heeft een pionier ecosysteem weinig voedingsstoffen in de bodem?

a)

weinig humus, doordat er nog niet veel is doodgegaan

b)

nog maar weinig planten

c)

het zijn alleen maar rotsen

d)

er is te weinig water

7.

Wat is een voordeel van het lopen als zoolganger?

a)

dat je schoen beter zit.

b)

je zakt niet weg op zachte ondergrond

c)

kan je hard rennen

d)

kan je beter geruisloos lopen (sluipen)

8.

Welke plant heeft het grootste wortelstelsel?

a)

waterplanten

b)

planten in droge gebieden

c)

planten met genoeg water om zich heen

d)

planten in het regenwoud

9.

Wat is een primair geslachtskenmerk van de man?

a)

Zwaardere stem

b)

Vagina

c)

Borsthaar

d)

Penis

10.

Wat is een taak van de prostaat?

a)

Urine bewaren

b)

Erectie regelen

c)

De blaas afsluiten bij een erectie en klaarkomen

d)

Zaadcellen bewaren

11.

Tijdens de ovulatie of eisprong komt het rijpe eitje eerst in de ........

a)

Baarmoeder

b)

Vagina

c)

Eierstok

d)

Eileider

12.

Wat is bevruchting?

a)

Ovulatie

b)

Celdeling

c)

Zaadcel smelt samen met de eicel

d)

Bevruchte eicel gaat zich delen

13.

Een ongeboren kindje heet .......

a)

Embryo

b)

Foetus

c)

Orgasme

d)

Ovarium

14.

Hoeveel dagen na de eerste dag van menstrueren is de ovulatie?

a)

28

b)

10

c)

14

d)

5

15.
Welk orgaan hoort bij de volgende beschrijving:
"...vervoeren zaadcellen"
a)
Teelbal
b)
Balzak
c)
Bijbal
d)
Zaadleider
16.
Welk orgaan hoort bij de volgende beschrijving:
"... voegt vocht toe aan zaadcellen"
a)
Urinebuis
b)
Zwellichaam
c)
Prostaat
d)
Bijballen
17.
Waar vindt de innesteling van een bevruchte eicel plaats?
a)
Eileider
b)
Baarmoederslijmvlies
c)
Baarmoedermond
d)
Vagina
18.
Welke soort seksuele voorkeur past bij de volgende uitspraak:
"Ik voel me niet thuis in mijn lichaam"
a)
Transgender
b)
Travestiet
c)
Transseksueel
d)
Androgyn
19.
Waar worden zaadcellen gemaakt?
a)
Bijbal
b)
Zwellichaam
c)
Teelbal
d)
Zaadleider
20.
Hoe wordt het embryo de eerste weken van de zwangerschap gevoed?
a)
Via het baarmoederslijmvlies
b)
Via de placenta/moederkoek
21.
Hoe noem je het als iemand precies elke 30 dagen ongesteld wordt?
a)
Een onregelmatige cyclus
b)
Een regelmatige cyclus
22.
Waar worden afvalstoffen uit het bloed van het embryo afgegeven aan het bloed van de moeder?
a)
In de baarmoeder
b)
In de navelstreng
c)
In de placenta
23.
Waar worden voedingsstoffen uit het bloed van de moeder afgegeven aan het bloed van het embryo?
a)
In de navelstreng
b)
In de baarmoeder
c)
In de placenta
24.
Wat is de juiste volgorde van de fasen van de bevalling?
a)
nageboorte, ontsluiting, uitdrijving
b)
ontsluiting, nageboorte, uitdrijving
c)
ontsluiting, uitdrijving, nageboorte
25.
In welke richting stromen de bloedvaten in de navelstreng?
a)
Alleen in de richting van het embryo
b)
Alleen in de richting van de moeder(koek)
c)
Zowel naar het embryo toe als naar de moeder(koek) toe
26.
Hoe laten we zien, dat een allel dominant is? 
a)
We geven dit allel aan met een kleine letter.
b)
We geven dit allel aan met een hoofdletter.
27.
Hoe heet een organisme die voor een bepaalde eigenschap identieke allelen heeft?
a)
Een bacterie
b)
Een recessief organisme
c)
Een homozygoot organisme
d)
Een heterozygoot organisme
28.
Het fenotype van de nakomelingen is paars.
Wat is het genotype van de paarse ouder bloem?
 PP of Pp? 
a)
PP
b)
Pp
29.
Kleurenblindheid is een recessieve aandoening. We kunnen dan zeggen dat kleurenblindheid ontstaat bij mensen met:
a)
Twee zwakke genen (a-a)
b)
Twee sterke genen (A-A)
c)
Twee ongelijke genen (A-a)
d)
Als hij altijd ziek wordt
30.
Bij maïsplanten komt een dominant gen R voor dat er voor zorgt dat maïskorrels heel hard worden. Een plant met genotype Rr wordt gekruisd met een andere plant met genotype Rr.
Hoeveel procent de maïsplanten in de F1 heeft harde zaden?
a)
25%
b)
50%
c)
75%
d)
82,2%
31.
In de afbeelding zie je schematisch hoe twee zaadcellen en twee eicellen ontstaan. De zaadcellen zijn via reductiedeling ontstaan uit dezelfde moedercel. De zaadcellen hebben waarschijnlijk ..... hetzelfde genotype.
a)
wel
b)
niet
32.
Je ziet in de afbeelding een krokusknol met enkele scheuten. De scheuten kunnen van de knol worden gehaald en verder groeien als afzonderlijke planten.
Welke bewering over de jonge planten is juist?
a)
De jonge planten ontstaan door geslachtelijke voortplanting en hebben allemaal een verschillend genotype.
b)
De jonge planten ontstaan door geslachtelijke voortplanting en hebben allemaal hetzelfde genotype.
c)
De jonge planten ontstaan door ongeslachtelijke voortplanting en hebben allemaal een verschillend genotype.
d)
De jonge planten ontstaan door ongeslachtelijke voortplanting en hebben allemaal hetzelfde genotype.
33.

Een buldog en een terriër werden gekruist. De fokkers kozen uit de nakomelingen alleen hondjes met bepaalde eigenschappen. Met die hondjes werd verder gefokt. Zo ontstond een nieuw ras: de Staffordshire bulterriër (zie de afbeelding).

Hoe wordt het genoemd als alleen dieren met bepaalde eigenschappen worden gebruikt om ermee te fokken?

a)

Kunstmatige selectie

b)

Veredeling

c)

Ongeslachtelijke voortplanting

d)

Perfectioneren

34.
Je ziet in de afbeelding een tomatenplant met enkele tomaten. In de tomaten zitten zaden. Uit de zaden kunnen zich nieuwe planten ontwikkelen.
Wat is juist?
a)
De jonge planten ontstaan door geslachtelijke voortplanting en hebben allemaal een verschillend genotype.
b)
De jonge planten ontstaan door geslachtelijke voortplanting en hebben allemaal hetzelfde genotype.
c)
De jonge planten ontstaan door ongeslachtelijke voortplanting en hebben allemaal een verschillend genotype.
d)
De jonge planten ontstaan door ongeslachtelijke voortplanting en hebben allemaal hetzelfde genotype.
35.
De Indische wandelende tak (zie de afbeelding) is een insect dat je als huisdier kunt houden. Een volwassen vrouwtje leeft enkele maanden en legt elke dag twee of drie eieren. De eieren hoeven niet te worden bevrucht. Uit elk eitje ontwikkelt zich een vrouwtje dat precies op de moeder lijkt.
Van welke vorm van voortplanting is hier sprake?
a)
Geslachtelijke voortplanting
b)
Ongeslachtelijke voortplanting
36.

Wat voor DNA zit er in je oogcellen?

a)

alleen DNA voor de kenmerken van het oog

b)

Dat ligt er aan waar in het oog het ligt

c)

Dat kan je niet weten

d)

Alle informatie van je DNA

37.

Kies het grootste deel

a)

Chromosoom

b)

allelenpaar

c)

gen

d)

genenpaar

38.

Wat is een allel?

a)

Een gen

b)

Een variant van een gen

c)

Een chromosoom

39.

Hoe kan het dat een spermacel maar de helft van de chromosomen bevat?

a)

Door mitose

b)

Door meiose

c)

Deze zijn vanaf de geboorte zo aanwezig in het lichaam van een man

40.
Jesse's haar is zwart. Dit besluit hij blauw te verven. Wat is zijn fenotype?
a)
blauw
b)
zwart
c)
zwart en blauw 
d)
beide kleuren niet
41.
Het genotype kan veranderen na mate je ouder word.
a)
waar
b)
niet waar
42.
Het fenotype kan veranderen na mate je ouder word.
a)
waar
b)
niet waar
43.

In de afbeelding zie je een jonge Maleise tapir en dezelfde tapir twee jaar later.

Heeft het jonge dier hetzelfde fenotype als het volwassen dier?

a)

Ja

b)

Nee

44.

In de afbeelding zie je een jonge Maleise tapir en dezelfde tapir twee jaar later.

Heeft het jonge dier hetzelfde genotype als het volwassen dier?

a)

Ja

b)

Nee

45.

Een cel heeft 7 chromosomen in de kern. Wat voor soort cel is dit?

a)

Lichaamscel

b)

Geslachtscel

46.

Het DNA van twee niet-tweelingzussen (met dezelfde vader en moeder) komt voor 50% overeen.

Hoeveel procent is dit bij tweeiige tweelingzussen?

a)

25%

b)

50%

c)

75%

d)

100%

47.

Het DNA van twee niet-tweelingzussen (met dezelfde vader en moeder) komt voor 50% overeen.

Hoeveel procent is dit bij eeneiige tweelingzussen?

a)

25%

b)

50%

c)

75%

d)

100%

48.

In de afbeelding is het ontstaan van een tweeling weergegeven. Kind 1 is een jongen.

Welk geslacht heeft kind 2?

a)

Jongen

b)

Meisje

c)

Niet af te leiden

49.

Opgerold DNA noemen we

a)

celkern

b)

chromosomen

c)

genen

50.

Een gen is

a)

alle erfelijke eigenschappen

b)

1 erfelijke eigenschap

c)

al het DNA

51.

Een vrouw heeft

a)

XX chromosomen

b)

XY chromosomen

c)

YY chromosomen

52.

Iedere eigenschap staat ... keer in het DNA

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

53.
Deze voedingstof is bouwstof en brandstof maar geen reservestof of beschermende stof.
a)
Eiwitten
b)
Koolhydraten
c)
Vetten
d)
Water
54.
Welke voedingstof moet je verteren voor het opgenomen kan worden?
a)
Glucose
b)
Mineralen
c)
Water
d)
Zetmeel
55.
Enzymen zorgen ervoor dat.....
a)
De verteringsreactie wordt versneld
b)
De voedingstoffen door het verteringsstelsel worden geduwd
c)
Vet met water kan mengen
d)
Bacteriën worden gedood
56.
Welk van de onderstaande sappen bevatten enzymen
a)
Alvleessap en speeksel
b)
Alvleessap en maagzuur
c)
Gal en maagzuur
d)
Gal en speeksel
57.
Dit doodt bacteriën. 
a)
Alvleessap
b)
Gal
c)
Maagzuur
d)
Darmsap
58.
Hoe heet orgaan 1?
a)
Dikke darm
b)
Dunne darm
c)
Endeldarm
d)
Twaalfvingerige darm
59.
Hoe heet orgaan 2?
a)
Dikke darm
b)
Dunne darm
c)
Endeldarm
d)
Twaalfvingerige darm
60.
Hoe heet orgaan 3?
a)
Dikke darm
b)
Dunne darm
c)
Endeldarm
d)
Twaalfvingerige darm
61.
Dit sap verteert vetten, eiwitten en zetmeel.
a)
Alvleessap
b)
Gal
c)
Maagsap
d)
Speeksel
62.
Dit sap zorgt ervoor dat vet en water kunnen mengen.
a)
Alvleessap
b)
Gal
c)
Maagsap
d)
Speeksel
63.
Deze darm bevat bacteriën.
a)
Dikke darm
b)
Dunne darm
c)
Twaalfvingerige darm
64.
Hier wordt de voedselbrij ingedikt.
a)
Dikke darm
b)
Dunne darm
c)
Twaalfvingerige darm
65.
Hier worden de koolhydraten opgenomen?
a)
Dikke darm
b)
Dunne darm
c)
Twaalfvingerige darm
66.
Deze darm bevat darmvlokken.
a)
Dikke darm
b)
Dunne darm
c)
Twaalfvingerige darm
67.
Welk orgaan maakt alvleessap?
a)
5
b)
6
c)
7
d)
8
68.
Welk orgaan maakt gal?
a)
5
b)
6
c)
7
d)
8
69.
Je slikt een stukje brood door. Welk orgaan komt dit voedingsmiddel het eerste tegen?
a)
Dunne darm
b)
Maag
c)
Twaalvingerige darm
d)
Dikke darm
70.
Welke stoffen komen uiteindelijk in je endeldarm terecht?
a)
Eiwitten
b)
Koolhydraten
c)
Vetten
d)
Vezels
71.
Als de kringspier rondom de anus zich spant moet je poepen 
a)
waar
b)
niet waar
72.
herbivoren hebben knobbelkiezen
a)
waar
b)
niet waar
73.
Welke spijsverteringskanaal is het langst?
a)
varken
b)
koe
c)
wolf
74.
Welke tanden missen planteneters over het algemeen
a)
snijtanden
b)
hoektanden
c)
plooikiezen
75.
In de lever wordt vet verteerd
a)
waar
b)
niet waar
76.
Welk mineraal zit er in tandpasta?
a)
calcium
b)
ijzer
c)
fluor
d)
magnesium
77.
Aan het eind van de maag zit een kringspier . Hoe heet die?
a)
Maagklep
b)
maagportier
c)
maagdeur
d)
maagspier
78.
Welk onderdeel zorgt ervoor dat er geen voedsel of drinken in de neusholte komt? 
a)
strottenhoofd
b)
huig
c)
strottenklep
d)
neustussenschot
79.
Tandsteen kun je zelf verwijderen
a)
waar
b)
niet waar
80.
In de slokdarm wordt een enzym voor de vetvertering toegevoegd.
a)
waar
b)
niet waar
81.
Hoe heet het orgaan dat wordt aangewezen met nr 6
a)
maag
b)
twaalfvingerige darm
c)
alvleesklier 
d)
lever
82.
De gibbon is een
a)
omnivoor
b)
carnivoor
c)
herbivoor
83.
Dit is de schedel van een
a)
omnivoor
b)
herbivoor
c)
carnivoor
84.
Twee uitspraken:
Mies zegt: Gal wordt gemaakt in de galblaas
Marit zegt: De enzymen uit de alvleesklier helpen bij de vertering van eiwitten, koolhydraten en vetten. Wie heeft gelijk?
a)
Mies
b)
Marit
c)
Beide gelijk
85.
Welke stoffen moeten verteerd worden?
a)
vetten, water, mineralen en eiwitten
b)
koolhydraten, vetten en water
c)
koolhydraten, vetten, eiwitten
d)
koolhydraten, vetten, eiwitten en vitamines
86.
De enzymen in maagsap zijn bedoelde voor de vertering van:
a)
koolhydraten en vetten
b)
eiwitten
c)
eiwitten en vetten
d)
eiwitten en koolhydraten
87.
Twee uitspraken over de schijf van olie en vetten.
Karin zegt: Verzadigde vetten zijn gezonder dan onverzadigde vetten
Maarten zegt: Deze producten kunnen ook vitamines bevatten
a)
beide hebben gelijk
b)
Karin heeft gelijk
c)
Maarten heeft gelijk
d)
beide hebben ongelijk
88.
Varkens eten naast plantaardig voedsel ook dierlijk voedsel.
Hebben varkens knip-, knobbel- of plooikiezen?
a)
knip
b)
plooi
c)
knobbel
89.
Vier organen: dikke darm , slokdarm, alvleesklier en dunne darm
Welk orgaan of welke organen produceren geen verteringsenzymen?
a)
dikke darm
b)
slokdarm
c)
alvleesklier
d)
dunne darm
90.
In een proefopstelling staan 4 reageerbuizen. Buis 1 en 2 staan bij 37 graden Celsius. Buis 3 en 4 bij 20 graden Celsius.
De buizen bevatten het volgende:
1: zetmeeloplossing + maagsap
2: zetmeeloplossing + speeksel
3: zetmeeloplossing + maagsap
4: zetmeeloplossing + speeksel
Welke buis zal na een tijdje het minste zetmeel bevatten?
a)
1
b)
2
c)
3
d)
4