wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Woordenschat leesvaardigheid

Total questions: 85

Worksheet time: 43mins

Name
Class
Date
1.

Absatz

a)

zin

b)

regel

c)

alinea

d)

schrijver

2.

Verfasser

a)

zin

b)

schrijver

c)

stijl

d)

artikel

3.

außerdem

a)

echter, maar

b)

bovendien

c)

want

d)

dus

4.

also

a)

dus

b)

maar

c)

want

d)

ook

5.

Lücke

a)

regel

b)

stijl

c)

gat

d)

leugen

6.

begründen

a)

vergissen

b)

samenvatten

c)

beargumenteren

d)

ontkennen

7.

Grund

a)

regel

b)

reden

c)

misvatting

d)

fout

8.

zeigen

a)

vertellen

b)

(aan)tonen

c)

doorspitten

d)

verlaten

9.

Schlussfolgerung

a)

samenvatting

b)

conclusie

c)

artikel

d)

betoog

10.

Beispiel

a)

bespelen

b)

tegenstelling

c)

voorbeeld

d)

alinea

11.

Eifersucht

a)

jaloezie

b)

vreugde

c)

teleurstelling

d)

boosheid, kwaadheid

12.

Ergänzung

a)

aanpassing

b)

correctie

c)

toevoeging

d)

reden

13.

allerdings

a)

want

b)

ook

c)

bovendien

d)

maar, echter

14.

denn

a)

want

b)

dus

c)

ook

15.

behaupten

a)

vertellen

b)

corrigeren

c)

beweren

16.

Steigerung

a)

afzwakking, kleiner maken

b)

vergroting, versterking

c)

emotioneel, gevoelig

d)

jaloers

17.

gar nicht

a)

bijna niet

b)

soms niet

c)

helemaal niet

d)

van nature

18.

fast nie

a)

snel niet

b)

bijna nooit

c)

wel nooit

d)

langzaam ogend

19.

statt

a)

ondanks

b)

in plaats van

c)

toch, maar

d)

altijd

20.

in Bezug auf

a)

met betrekking tot

b)

in tegenstelling tot

21.

Bestätigung

a)

vertraging

b)

vergroting, versterking

c)

bevestiging

22.

deshalb

a)

echter

b)

namelijk

c)

daarom

d)

waarom

23.

Hieraus geht hervor...

a)

Hieruit gaan we verder...

b)

Hieruit blijkt...

c)

Hier i.v.m. hiervoor...

24.

Ich bin begeistert!

a)

Ik ben teleurgesteld!

b)

Ik ben enthousiast!

c)

Ik ben onverschilig!

d)

Ik ben kwaad, boos!

25.

Anlass dafür ist...

a)

Gevolg daarvan is...

b)

Nalatig daarvoor is...

c)

Aanleiding daarvoor is...

d)

Later daarvoor is...

26.

letztendlich

a)

later

b)

tenslotte

c)

tijdloos

d)

verklarend

27.

Er ist empört.

a)

Hij is teleurgesteld.

b)

Hij is verontwaardigd.

c)

Hij is tevreden.

d)

Hij is enthousiast.

28.

Einschränkung

a)

inperking

b)

uitbreiding

c)

verklaring

d)

afwijking

29.

Schadenfreude

a)

schadevergoeding

b)

leedvermaak

c)

jaloezie

d)

vergissing

30.

falls

a)

verder

b)

nooit

c)

in het geval dat

d)

ruimtelijk

31.

Verallgemeinerung

a)

verklaring, motivering

b)

bepaling, regel

c)

generalisatie, over één kam scheren

32.

zwar

a)

ook

b)

weliswaar

c)

nooit

d)

dus, kortom

33.

Wirtschaft

a)

wetenschap

b)

economie

c)

weddenschap

d)

opvoeding

34.

Umwelt

a)

politiek

b)

economie

c)

milieu

d)

biologie

35.

Lösung

a)

vergelijking

b)

oorzaak, reden

c)

oplossing

36.

manchmal

a)

soms

b)

nooit

c)

altijd

d)

vaak

37.

Gegensatz

a)

beperking

b)

tegenstelling

c)

conclusie

d)

tegenwoordig

38.

erläutern

a)

verklaren, toelichten

b)

vergelijken

c)

afwijzen, nee zeggen

39.

sogar

a)

want

b)

in het geval dat

c)

zelfs

d)

terwijl

40.

zusätzlich

a)

overigens

b)

in vergelijking met

c)

want

d)

daarnaast

41.

nicht nur

a)

niet met

b)

niet alleen

c)

niet zonder

d)

niet vanwege

42.

obwohl

a)

oftewel

b)

vanwege

c)

overigens

d)

hoewel

43.

zunächst

a)

allereerst

b)

toegevend

c)

volgend

d)

tot slot

44.

Behörde

a)

gewoonten

b)

familielid

c)

overheid

d)

wetenschap

45.

benutzen

a)

nuttigen

b)

gebruiken

c)

uitbuiten

d)

oppakken

46.

enttäuscht

a)

enthousiast

b)

verlegen

c)

verrast

d)

teleurgesteld

47.

vielleicht

a)

altijd

b)

veelvuldig, vaak

c)

wellicht, misschien

d)

volgens

48.

Ziel

a)

zielig

b)

actiepunt

c)

zalf

d)

doel

49.

wäre

a)

terwijl

b)

zou zijn

c)

waardig

d)

waarde

50.

empfehlen

a)

verzorgen

b)

aanbevelen

c)

uitnodigen

d)

corrigeren, verbeteren

51.

die Wende

a)

de parkeerplaats

b)

de val van de Muur in 1989

c)

de waardering

d)

de werkelijkheid

52.

trotzdem

a)

terwijl

b)

desondanks

c)

bovendien

d)

altijd

53.

jedoch

a)

in plaats van

b)

altijd

c)

bovendien

d)

toch

54.

damit

a)

daarom

b)

ondanks

c)

bovendien

d)

zodat

55.

demnach

a)

volgens

b)

echter

c)

bovendien

d)

daarom

56.

jedenfalls

a)

altijd

b)

vooral omdat

c)

tegenwoordig

d)

in elk geval

57.

mittlerweile

a)

als laatste

b)

overigens

c)

ondertussen

d)

ontkennend

58.

erst recht

a)

altijd

b)

pas echt

c)

als eerste

d)

te laat

59.

Abschwächung

a)

afzwakking

b)

toegeving

c)

weerlegging

d)

verklaring

60.

erwähnen

a)

vervangen

b)

concluderen

c)

weglaten

d)

noemen

61.

derzeit

a)

soms

b)

altijd

c)

nooit

d)

nu

62.

sobald

a)

duurzaam

b)

zodra

c)

snel

d)

zover

63.

dauerhaft

a)

spoedig

b)

vertragend

c)

duurzaam

d)

altijd

64.

Verlust

a)

jaloezie

b)

verdriet

c)

honger

d)

verlies

65.

erlaubt

a)

verliefd

b)

betekenisvol

c)

afwezig, absent

d)

toegestaan

66.

Gleichgültigkeit

a)

onverschilligheid

b)

boosheid

c)

vreugde

d)

verdriet

67.

Gesellschaft

a)

opvoeding

b)

gezelligheid

c)

maatschappij

d)

opleiding

68.

Kampf

a)

verlies

b)

strijd

c)

pijn

d)

ergernis

69.

bezeichnen

a)

gemiddeld

b)

betekenen

c)

aansturen

d)

vertellen

70.

eng

a)

griezelig, angstaanjagend

b)

lang

c)

nauw

d)

erg

71.

ähnlich

a)

toepasbaar

b)

eerlijk

c)

mondeling

d)

vergelijkbaar

72.

Erwachsene

a)

volwassene

b)

ontwikkeling

c)

ontdekker

d)

ziekte

73.

Zeile

a)

zin

b)

regel

c)

alinea

d)

paragraaf

74.

schließlich

a)

als eerste

b)

per slot van rekening

c)

echter

d)

reeds, al

75.

je... desto

a)

als... dan

b)

echter... ook

c)

hoe... hoe

d)

zo... dat

76.

zumal

a)

echter

b)

bovendien

c)

in het geval dat

d)

vooral omdat

77.

inzwischen

a)

vroeger

b)

ondertussen

c)

als laatste

d)

tegenwoordig, nu

78.

Verharmlosung

a)

triviaal, onbelangrijk maken

b)

cruciaal, belangrijk maken

c)

schaden

d)

beschermen

79.

Aussage

a)

alinea

b)

aanvulling

c)

tegenstelling

d)

uitspraak

80.

schliessen aus

a)

concluderen uit

b)

genieten van

c)

tegenspreken van

d)

voortkomen uit

81.

ständig

a)

langzaam

b)

snel

c)

recent

d)

steeds

82.

heuchlerisch

a)

jaloers

b)

vriendelijk

c)

hypocriet

d)

tevreden

83.

Erziehung

a)

opleiding

b)

wetenschap

c)

samenleving

d)

opvoeding

84.

schützen

a)

aanvallen

b)

beschermen

c)

tegenspreken

d)

beargumenteren

85.

Hirn

a)

hersenen

b)

lichaam

c)

hoofd

d)

darmen