wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

H3 B 1-2

Total questions: 13

Worksheet time: 7mins

Name
Class
Date
1.

Uit welke landen bestond het koninkrijk in 1815?

a)

Nederland, België en Duitsland

b)

België, Luxemburg en Frankrijk

c)

Luxemburg, Nederland en België

d)

Frankrijk, Luxemburg en Duitsland

2.

Welke koning komt er in Nederland aan?

a)

Willem V

b)

Willem I

c)

Willem Alexander

d)

Wilhelmina

3.

In 1848 is het onrustig in Europa. Wat breekt er uit?

a)

Opstanden

b)

Feesten

c)

Roversbendes komen

d)

Ziekten

4.

Waar gaat koning Willem II in 1848 mee akkoord?

a)

Algemeen kiesrecht

b)

De komst van een parlement.

c)

De onafhankelijkheid van België

d)

De komst van een nieuwe grondwet

5.

Wat is een ander woord voor koninkrijk?

a)

Democratie

b)

Anarchie

c)

Oligarchie

d)

Monarchie

6.

Vanaf wanneer kwam er algemeen mannenkiesrecht?

a)

1917

b)

1918

c)

1919

d)

1920

7.

Wie mochten er voor 1917 stemmen?

a)

Alleen de rijke mannen

b)

Rijke mannen en vrouwen

c)

Alleen de rijke vrouwen

d)

Iedereen

8.

Vanaf wanneer mocht iedereen boven de 18 stemmen?

a)

1917

b)

1918

c)

1919

d)

nooit

9.

welke rechten werden opgenomen in de grondwet van 1848?

a)

Recht van meninguiting

b)

Recht op vrijheid

c)

Recht op vrijheid van geloof

d)

Alle antwoorden zijn goed

10.

Wat is het parlement?

a)

Volksvertegenwoordiging, 1e en 2e kamer

b)

Ministerraad

c)

De koning en zijn familie

d)

Stemrecht

11.

Wie zijn er in Nederland de baas?

a)

De regering

b)

Het parlement

c)

De regering en het parlement

d)

De koning

12.

Wie leidt de regering?

a)

De koning

b)

De koningin

c)

De minister-president

d)

De minister van binnenlandse zaken

13.

waar zit het bestuur in Nederland?

a)

Amsterdam

b)

Rotterdam

c)

Utrecht

d)

Den Haag