wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Tegenwoordige tijd

Total questions: 27

Worksheet time: 14mins

Name
Class
Date
1.
Els (werken) in de grote stad.
a)
werk
b)
werken
c)
werkdt
d)
werkt
2.
Ik (zoeken) mijn handtas.
a)
zoekt
b)
zoeken
c)
zocht
d)
zoek
3.
(Worden) je ook gek van dat werkje?
a)
Worden
b)
Wordt
c)
Word
d)
Wort
4.
(Vinden) je zus deze jurk ook zo mooi?
a)
Vind
b)
Vint
c)
Vindt
d)
Vinden
5.
De dames (maken) zich op voor het feest.
a)
maakten
b)
maak
c)
maakt
d)
maken
6.
Peter (fietsen) helemaal naar huis.
a)
fiets
b)
fietst
c)
fietste
d)
fiestt
7.
(Worden) jij de volgende kampioen?
a)
Wordt
b)
Word
c)
Worden
d)
Wort
8.
Vincent (verliezen) nooit een wedstrijd.
a)
verlies
b)
verliezt
c)
verliezen
d)
verliest
9.
Hij (reizen) heel graag.
a)
reis
b)
reizt
c)
reisd
d)
reist
10.
Kristine (feliciteren) hem voor zijn verjaardag.
a)
felicetert
b)
feliciteert
c)
feliciteer
d)
feliciteerde
11.
Dit deken (pluizen) steeds meer.
a)
pluizen
b)
pluist
c)
pluizt
d)
pluiz
12.

(hebben) Loes ...... kaartjes gemaakt.

a)

had

b)

hebt

c)

heeft

d)

hebben

13.

(vinden) Ik ...... sushi erg lekker.

a)

vindt

b)

vond

c)

vint

d)

vind

14.

(vieren) Tim ...... zijn verjaardag vandaag.

a)

vier

b)

vieren

c)

viert

d)

vierd

15.

(schrjiven) Nessa ...... een lange brief.

a)

schrijvt

b)

schrijfd

c)

schrijft

d)

schrijvd

16.

(vergeten) Soms ...... iemand zijn of haar boeken

a)

vergeet

b)

vergeed

c)

verget

d)

vergeedt

17.

Wat is de stam van het werkwoord groeten?

a)

Groetjes

b)

Gegroet

c)

Groet

18.

Wat is de stam van het werkwoord vertellen?

a)

Verhaal

b)

Vertelde

c)

Vertel

19.

Welke zin staat in de tegenwoordige tijd?

a)

De kat zit in de boom.

b)

De kat zat in de boom.

20.

Welk woord hoort op de puntjes? (tegenwoordige tijd)

'We ... niet meer!' (waarschuwen)

a)

waarschuw

b)

waarschuwen

c)

waarschuwt

21.

Welk woord hoort op de puntjes? (tegenwoordige tijd)

Mijn nichtje .... altijd drie keer achter elkaar. (niezen)

a)

niest

b)

nieste

c)

nies

22.

Welk woord hoort op de puntjes? (tegenwoordige tijd)

... jij morgen met mij mee? (rijden)

a)

Rijden

b)

Reed

c)

Rijd

23.

Welk woord hoort op de puntjes? (tegenwoordige tijd)

Hij ... van speelfilms. (houden)

a)

houden

b)

hield

c)

houdt

24.

Welk woord hoort op de puntjes? (tegenwoordige tijd)

Onze burgermeester ... naar de wijkbewoners. (luisteren)

a)

luisert

b)

luisterde

c)

luisteren

25.
Welk woord is een werkwoord?
a)
hond
b)
van
c)
zitten
d)
de
26.
Welk woord is een werkwoord?
a)
fiets
b)
gaan
c)
in
d)
het
27.
Vul de juiste vorm van het werkwoord in.
Hij ......................... op straat.
a)
loopt
b)
loop
c)
lopen
d)
gelopen