wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

natuurkunde hoofdstuk 3 water vmbo

Total questions: 74

Worksheet time: 38mins

Name
Class
Date
1.
Wat is de beste bron voor drinkwater?
a)
Zeewater
b)
Grondwater
c)
Oppervlaktewater
2.
Voor hoeveel procent bestaat je lichaam gemiddeld uit water?
a)
55%
b)
60%
c)
65%
d)
70%
3.
Hoe kan je van zeewater toch drinkwater maken?
a)
Destilleren
b)
Indampen
c)
Filtreren
4.
Welke scheidingsmethode om drinkwater te maken zie je hier?
a)
Filtreren
b)
Bezinken
c)
Extraheren
5.
Wat wordt bedoeld met "hard" water?
a)
IJs
b)
Water met veel kalk
c)
Demi-water
6.
Hoeveel liter water gebruikt een mens gemiddeld per dag in Nederland?
a)
50
b)
80
c)
130
d)
215
7.
Hoe noem je water in de grond?
a)
watergrond
b)
zandwater
c)
grondwater
8.
hoe noem je het als je water uit de grond of uit de rivieren haalt?
a)
waterwinning
b)
waterzuivering
c)
regenwater
9.
Hoe noem je het proces waarbij vies water wordt schoongemaakt?
a)
waterwinning
b)
waterzuivering
c)
grondwater
10.
water opwarmen doen we met.......
a)
brandstoffen
b)
booreilanden
11.
Wat krijg je als waterdamp condenseert?
a)
Mist
b)
Wolken
c)
Water
d)
Ijs
12.

Hoeveel van je lichaam bestaat uit water?

a)

een klein gedeelte

b)

één derde deel

c)

de helft

d)

twee derde deel

13.

Het grootste deel van de aarde is bedekt met...

a)

zand

b)

water

14.

Mensen kunnen wel/ niet leven zonder water

a)

wel

b)

niet

15.

Thuis gebruik je iedere dag water. Waar komt dit water vandaan?

a)

uit het riool

b)

van het waterbedrijf

c)

van het installatie-bedrijf

16.

Hoeveel liter water gebruik je als je afwast?

a)

2 liter

b)

5 liter

c)

15 liter

d)

50 liter

17.

Welke fase-verandering zie je als het vriest?

a)

IJs wordt water

b)

Water wordt ijs

18.

Je doet een ijsklontje in een glas limonade. Wat gebeurt er dan met het ijsklontje?

a)

Het ijsklontje gaat stollen

b)

Het ijsklontje gaat bevriezen

c)

Het ijsklontje gaat smelten

d)

Het ijsklontje gaat afkoelen

19.

veranderen van vast naar vloeibaar is

a)

smelten

b)

stollen

c)

verdampen

d)

condenseren

20.

veranderen van vloeibaar naar vast is

a)

smelten

b)

stollen

c)

verdampen

d)

condenseren

21.

veranderen van vloeibaar naar gas is

a)

smelten

b)

stollen

c)

verdampen

d)

condenseren

22.

veranderen van gas naar vloeibaar is

a)

smelten

b)

stollen

c)

verdampen

d)

condenseren

23.

Het smeltpunt van water is...

a)

0 graden

b)

100 graden

24.

Het stollen van water noem je..

a)

bevriezen

b)

smelten

25.

Het kookpunt van water is..

a)

0 graden

b)

100 graden

c)

1000 graden

26.

Samir doet een suikerklontje in zijn thee. Wanneer lost het suikerklontje het beste op?

a)

als de thee warm is

b)

Als de thee koud is

c)

het maakt niet uit of de thee koud of warm is

27.

Een zuivere stof bestaat uit..

a)

één stof

b)

meerdere stoffen

28.

Mengen betekent:

a)

minstens 3 stoffen bij elkaar doen

b)

kliederen

c)

2 stoffen bij elkaar doen

29.

Het oplosmiddel is de vloeistof waarin je een stof oplost

a)

waar

b)

niet waar

30.

Een suspensie is altijd troebel en gekleurd

a)

waar

b)

niet waar

31.

Troebel betekent dat je er doorheen kunt kijken

a)

waar

b)

niet waar

32.

Wat gebeurt er bij indampen?

a)

de vaste stof verdampt

b)

de vaste stof kookt weg uit het mengsel

c)

het water en de vaste stof verdampen allebei

d)

het water verdampt en de vaste stof blijft over

33.

Scheiden is de stoffen in een mengsel uit elkaar halen

a)

waar

b)

niet waar

34.

Bij filtreren zakken de deeltjes vaste stof naar beneden

a)

waar

b)

niet waar

35.

Koffie die achterblijft in het filter noem je

a)

residu

b)

filtraat

36.

De vloeistof die door het filter loopt, noem je het...

a)

residu

b)

filtraat

37.

Waarom is regenwater niet drinkbaar?

a)

in regenwater kunnen schadelijke stoffen zitten

b)

omdat er te weinig regen valt

c)

omdat het de laatste tijd warmer is

d)

omdat er steeds meer regen valt

38.

wat is grondwater?

a)

water dat in de grond is gezakt

b)

water dat vanuit de aarde naar boven komt

c)

water dat door de fabrieken wordt afgevoerd

d)

water uit de zee

39.

Hoe komen giftige stoffen in het rivierwater?

a)

door zeilboten

b)

door fabrieken, landbouw en huishoudens

c)

door watervogels

d)

door ongelukken met boten

40.

water uit oceanen en zeeën noem je

a)

zeewater

b)

regenwater

c)

duinwater

41.

zeezout wordt uit zeewater gehaald door...

a)

indampen

b)

smelten

c)

bevriezen

43.

Water in de grond noem je...

a)

zeewater

b)

grondwater

c)

duinwater

43.

Water in de grond noem je...

a)

zeewater

b)

grondwater

c)

duinwater

44.

Water in rivieren, meren en sloten noem je..

a)

zeewater

b)

grondwater

c)

duinwater

d)

oppervlakte-water

45.

Adsorberen is: Het.........................van vuildeeltjes aan koolstof

a)

zoeken

b)

plakken

c)

scheiden

46.

Van zeewater kun je drinkwater maken door ......

a)

destilleren

b)

steriliseren

c)

pasteuriseren

47.

Water is altijd vloeibaar

a)

waar

b)

niet waar

48.

Water in vaste toestand noem je ijs

a)

waar

b)

niet waar

49.

Chloor kun je gebruiken om bacteriën te doden

a)

waar

b)

niet waar

50.

Hoe dieper regenwater in de grond zakt, hoe schoner het water wordt

a)

waar

b)

niet waar

51.

Water kan bevriezen. Een andere naam voor bevriezen is

a)

smelten

b)

stollen

c)

verdampen

d)

vergassen

52.

Mist is een vorm van water. In welke fase is het water in de mist?

a)

Gasfase

b)

Vloeistoffase

c)

Vaste fase

53.

De lucht in een uitademing bevat veel waterdamp. Wat gebeurt er met de waterdamp als je uitademt tegen een koude ruit? De waterdamp:

a)

Condenseert

b)

Smelt

c)

Stolt

d)

Verdampt

54.

Welke uitspraak over ijzel is waar?

a)

Ijzel bestaat uit kristallen

b)

Ijzel is een vaste stof

c)

Ijzel is een vloeistof

d)

Ijzel is een gas

55.

Rijp en dauw zijn twee voorbeelden van neerslag. In welk antwoord staat de juiste fase voor beide?

a)

Rijp en dauw zijn beide vast.

b)

Rijp en dauw zijn beide vloeibaar.

c)

Rijp is vast en dauw is vloeibaar.

d)

Rijp is vloeibaar en dauw is vast.

56.

Bij welke fase-overgang wordt een vaste stof een vloeistof?

a)

Bevriezen

b)

Condenseren

c)

Rijpen

d)

Smelten

e)

Verdampen

57.

Bij welke fase-overgang wordt een vloeistof stof een gas?

a)

Bevriezen

b)

Condenseren

c)

Rijpen

d)

Smelten

e)

Verdampen

58.

Bij welke fase-overgang wordt een vloeistof een vaste stof?

a)

Bevriezen

b)

Condenseren

c)

Rijpen

d)

Smelten

e)

Verdampen

59.

Bij welke fase-overgang wordt een gas een vaste stof?

a)

Bevriezen

b)

Condenseren

c)

Rijpen

d)

Smelten

e)

Verdampen

60.

Bij welke fase-overgang wordt een gas een vloeistof?

a)

Bevriezen

b)

Condenseren

c)

Rijpen

d)

Smelten

e)

Verdampen

61.

Bij welke fase-overgang wordt een vaste stof een gas?

a)

Bevriezen

b)

Condenseren

c)

Rijpen

d)

Smelten

e)

vervluchtigen

62.

Vervluchtigen is de fase overgang van:

a)

vast naar vloeibaar

b)

vast naar gas

c)

vloeibaar naar vast

d)

vloeibaar naar gas

e)

gas naar vast

63.

Verdampen is de fase overgang van:

a)

vast naar vloeibaar

b)

vast naar gas

c)

vloeibaar naar vast

d)

vloeibaar naar gas

e)

gas naar vast

64.

Condenseren is de fase overgang van:

a)

vast naar vloeibaar

b)

gas naar vloeibaar

c)

vloeibaar naar vast

d)

vloeibaar naar gas

e)

gas naar vast

65.
Rijpen is de fase overgang van:
a)
vast naar vloeibaar
b)
gas naar vloeibaar
c)
vloeibaar naar vast
d)
vloeibaar naar gas
e)
gas naar vast
66.
Smelten is de fase overgang van:
a)
vast naar vloeibaar
b)
gas naar vloeibaar
c)
vloeibaar naar vast
d)
vloeibaar naar gas
e)
gas naar vast
67.
Stollen is de fase overgang van:
a)
vast naar vloeibaar
b)
gas naar vloeibaar
c)
vloeibaar naar vast
d)
vloeibaar naar gas
e)
gas naar vast
68.
’s Winters verdwijnt sneeuw soms ‘in het niets’, dus zonder dat je een plasje water ziet ontstaan. Hoe heet die fase-overgang?
a)
Bevriezen
b)
Condenseren
c)
Rijpen
d)
Smelten
e)
vervluchtigen
69.
Als na een regenbui de zon schijnt, zijn de straten al gauw weer droog. Dat komt doordat het regenwater:
a)
Bevriest
b)
Condenseert
c)
Smelt
d)
vervluchtigt
e)
Verdampt
70.
Na een erg koude droge nacht zijn de bladeren van planten soms helemaal wit. Hoe heet de fase-overgang die daarvoor heeft gezorgd?
a)
Bevriezen
b)
Condenseren
c)
Rijpen
d)
Smelten
e)
Verdampen
71.
Sneeuw is een vorm van water. In welke fase is het water in een sneeuwvlok?
a)
gasvormige fase
b)
vaste fase
c)
vloeibare fase
72.
Als je tijdens een koude winterdag van buiten naar binnen gaat, beslaan je brillenglazen. Hoe heet de fase-overgang die dan plaatsvindt?
a)
Bevriezen
b)
Condenseren
c)
Rijpen
d)
Smelten
e)
Verdampen
73.
Als je water in een bekerglas verhit, ontstaan na enige tijd grote dampbellen die aan het oppervlak uit elkaar barsten. Welke bewering over dit verschijnsel is waar?
a)
De dampbellen bestaan uit lucht.
b)
De dampbellen ontstaan op de bodem van het bekerglas.
c)
De temperatuur van het water is nu 100 °C.
d)
Dit verschijnsel noem je het zingen van het water.
74.

’s Winters doen automobilisten antivries bij het water voor de ruitensproeier. Daardoor:

a)

stijgt het smeltpunt van ijs.

b)

daalt het smeltpunt van water.

c)

daalt het vriespunt van ijs.

d)

daalt het vriespunt van water.