WorksheetsSpreekwoorden betekenis
Total questions: 10
Worksheet time: 5mins
Jan moet zijn kamer uitmesten
Jan moet in zijn neus knijpen als hij de mest weghaalt
Jan moet zijn kamer opruimen
Jan moet zijn kamer uit.
Ze brengt haar kleding aan de man.
Ze brengt ze weg
Ze trekt mannenkleding aan.
Ze brengt haar kleding naar een mannetje
Ze vliegen elkaar naar de haren.
Ze trekken elkaar aan de haren
Ze hebben vliegen in hun haren
Ze hebben ruzie
Meike houdt haar hoofd koel
Ze blijft rustig
Ze heeft ijs op haar hoofd.
Ze steekt haar hoofd in de vriezer
Hij zwemt in het geld.
Hij heeft veel geld
Hij betaalt voor het zwembad
Hij zwemt voor geld
Dat brengt geld in het laatje.
Dat levert veel op
Dat levert erg weinig op.
Het geld moet je in het laatje doen.
Hij loopt met zijn hoofd in de wolken
Hij loopt erg hard
Hij loopt in de mist
Hij is erg blij
Zij heeft het hart op de goede plaats
Zij is verliefd
Zij is aardig voor iedereen
Zij heeft een hartprobleem
Hij slaat er een slaatje uit.
Hij verdient er geld mee
Hij eet zijn slaatje op
Hij slaat naar een vlieg op zijn slaatje
Het blijft lood om oud ijzer
Hij handelt in lood en ijzer
Hij houdt van lood en ijzer
Het maakt eigenlijk niet uit wat je kiest
