wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Spreekwoorden betekenis

Total questions: 10

Worksheet time: 5mins

Name
Class
Date
1.

Jan moet zijn kamer uitmesten

a)

Jan moet in zijn neus knijpen als hij de mest weghaalt

b)

Jan moet zijn kamer opruimen

c)

Jan moet zijn kamer uit.

2.

Ze brengt haar kleding aan de man.

a)

Ze brengt ze weg

b)

Ze trekt mannenkleding aan.

c)

Ze brengt haar kleding naar een mannetje

3.

Ze vliegen elkaar naar de haren.

a)

Ze trekken elkaar aan de haren

b)

Ze hebben vliegen in hun haren

c)

Ze hebben ruzie

4.

Meike houdt haar hoofd koel

a)

Ze blijft rustig

b)

Ze heeft ijs op haar hoofd.

c)

Ze steekt haar hoofd in de vriezer

5.

Hij zwemt in het geld.

a)

Hij heeft veel geld

b)

Hij betaalt voor het zwembad

c)

Hij zwemt voor geld

6.

Dat brengt geld in het laatje.

a)

Dat levert veel op

b)

Dat levert erg weinig op.

c)

Het geld moet je in het laatje doen.

7.

Hij loopt met zijn hoofd in de wolken

a)

Hij loopt erg hard

b)

Hij loopt in de mist

c)

Hij is erg blij

8.

Zij heeft het hart op de goede plaats

a)

Zij is verliefd

b)

Zij is aardig voor iedereen

c)

Zij heeft een hartprobleem

9.

Hij slaat er een slaatje uit.

a)

Hij verdient er geld mee

b)

Hij eet zijn slaatje op

c)

Hij slaat naar een vlieg op zijn slaatje

10.

Het blijft lood om oud ijzer

a)

Hij handelt in lood en ijzer

b)

Hij houdt van lood en ijzer

c)

Het maakt eigenlijk niet uit wat je kiest