wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Klas 1 H3 Paragraaf 3 en 4

Total questions: 18

Worksheet time: 9mins

Name
Class
Date
1.

Op 21 juni staat de zon loodrecht op de ....

a)

steenbokskeerkring

b)

kreeftskeerkring

c)

evenaar

d)

poolcirkel

2.

In 24 uur tijd draait de .....

a)

maan om de zon

b)

aarde om zijn eigen as

c)

aarde om de zon

d)

aarde om de maan

3.

Wanneer de zon loodrecht op de Steenbokskeerkring staat is het zomer op het .....

a)

noordelijk halfrond

b)

zuidelijk halfrond

4.

Binnen de poolcirkel is het altijd donker

a)

Juist

b)

Onjuist

5.

Pooldag betekent .....

a)

dat het de hele dag koud is

b)

dat het op de noord- of zuidpool de hele dag licht is

c)

dat het noorderlicht goed zichtbaar is

d)

dat het op de noord- of zuidpool de hele dag donker is

6.

Pooldag op de noordpool betekent ..... op de zuidpool

a)

pooldag

b)

poolnacht

c)

poolcirkel

d)

zomer

7.

Welke combinaties zijn juist?

a)

Steenbokskeerkring 23,5° Z.B.

Kreeftskeerkring 23,5° N.B.

Poolcirkel 66,5° N.B.

b)

Steenbokskeerkring 33,5° Z.B.

Kreeftskeerkring 33,5° N.B.

Poolcirkel 66,5° N.B.

c)

Steenbokskeerkring 0° Z.B.

Kreeftskeerkring 0° N.B.

Poolcirkel 23,5° N.B.

d)

Steenbokskeerkring 52° Z.B.

Kreeftskeerkring 52° N.B.

Poolcirkel 0° N.B.

8.

Op 21 maart staat ..... halfrond het meeste naar de zon gericht

a)

het zuidelijk

b)

het noordelijk

c)

geen

9.

Condenseren van water direct boven zee past bij de .....

a)

korte waterkringloop

b)

lange waterkringloop

c)

stuwingsregens

d)

waterdamp

10.

Condensatie betekent het veranderen van een stof

a)

van vloeibare vorm in gasvorm

b)

van vloeibare vorm in vaste vorm

c)

van gasvorm in vloeibare vorm

d)

van vaste vorm in vloeibare vorm

11.

Frontale regens komen vooral voor op ....

a)

lage breedte

b)

gematigde breedte

c)

hoge breedte

d)

frontale regens? wat?

12.

Stijgingsregens komen vooral voor in het tropische regenwoud, omdat ....

a)

warme lucht daar botst met koude lucht

b)

koude lucht daar daalt en opwarmt

c)

warmte lucht opstijgt en afkoelt

d)

koude lucht opstijgt en opwarmt

13.

De hoeveelheid die op verschillende plekken op aarde valt is overal gelijk

a)

Juist

b)

Onjuist

14.

Bij de lange waterkringloop kan water via sneeuwval opgeslagen worden in een gletsjer

a)

Juist

b)

Onjuist

15.

Wolken vormen door:

a)

verdamping, opstijging, afkoeling, condensatie

b)

condensatie, opstijging, verdamping, afkoeling

c)

afkoeling, verdamping, condensatie, opwarming

d)

verdamping, afkoeling, condensatie, opstijging

16.

Neerslag valt aan de ..... van de berg

a)

loefzijde

b)

lijzijde

17.

Wanneer lucht tegen een berg waait en regen veroorzaakt, noemen we dit .....

a)

frontale regen

b)

stijgingsregen

c)

stuwingsregen

d)

regenschaduw

18.

Water komt in alle vormen (waterdamp, water, ijs) voor in de lange waterkringloop

a)

Juist

b)

Onjuist