wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

elektriciteit

Total questions: 75

Worksheet time: 53mins

Name
Class
Date
1.

Wanneer kan er in een stroomkring stroom lopen?

a)

Als het rode draad in de plus kant zit en het zwarte draad in de min kant

b)

Als er genoeg isolatoren in de stroomkring zitten

c)

Alleen als de stroomkring gesloten is

d)

Alle drie de antwoorden zijn juist

2.

Er staan hier 5 batterijen van elk 3 Volt in serie geschakeld. Hoeveel spanning leveren deze batterijen als ze op deze manier zijn geschakeld?

a)

3 Volt

b)

6 Volt

c)

9 Volt

d)

12 Volt

e)

15 Volt

3.

Ik draai 1 lampje uit deze schakeling. Wat gebeurt er met de andere 6 lampen?

a)

Alle lampjes gaan uit

b)

De andere 6 lampjes gaan allemaal iets harder branden

c)

Er gebeurt helemaal niets

d)

Alleen de lampjes die voor de lamp staan die eruit is gedraaid, werken nog.

4.

Ik heb een schakeling met 1 lamp, die veel licht geeft.

Nu voeg ik een tweede lamp toe aan de schakeling (zoals in het plaatje rechts). Wat gebeurt er met het licht van de lampen?

a)

Allebei de lampen blijven even fel branden als in de schakeling links.

b)

Allebei de lampen branden niet.

c)

Allebei de lampen branden half zo fel als bij de schakeling links.

d)

Lamp 1 brand net zo fel als bij de linker schakeling, omdat het alle stroom verbruikt en lamp 2 staat uit.

5.

Wat zijn de voordelen van een parallel schakeling?

a)

Bij een parallel schakeling heb je meerdere stroomkringen. Als dan 1 lamp kapot gaat, blijft de rest werken.

Ook branden alle lampen die parallel staan even fel.

b)

Bij een parallel schakeling heb je slechts 1 stroomkring. Als dan 1 lamp kapot gaat, gaat de rest ook uit.

Ook branden alle lampen die parallel staan even fel.

c)

Bij een parallel schakeling heb je meerdere stroomkringen. Als dan 1 lamp kapot gaat, blijft de rest werken.

Maar alle lampen branden minder fel, omdat de stroom wordt verdeeld over verschillende paden.

d)

Bij een parallel schakeling heb je een stroomkring. Als dan 1 lamp kapot gaat, gaat de rest ook uit.

Alle lampen branden minder fel, omdat de stroom wordt verdeeld over verschillende paden

6.
Welke eenheid hoort bij spanning?
a)
Ampère
b)
Watt
c)
Ohm
d)
Volt
7.
Wat betekent het volgende symbool?
a)
Lampje
b)
Batterij
c)
Schakelaar
d)
Meter
8.
Hoeveel Volt wijst de meter aan?
a)
10
b)
11
c)
12
d)
13
9.
Welk soort schakeling staat op het plaatje?
a)
Serieschakeling
b)
parallelschakeling
c)
hotelschakeling
d)
gemengde schakeling
10.
Hoeveel batterijen van 1,5 Volt zijn er nodig om een spanning te maken van 9 Volt?
a)
4
b)
5
c)
6
d)
7
11.
Welke spanning geeft de Voltmeter aan?
a)
1,25 V
b)
1,5V
c)
12,5 V
d)
15 V
12.

In een schakeling zijn drie lampjes in serie geschakeld. Welke twee beweringen over de stroom en de stroomsterkte in deze schakeling zijn waar?

a)

De stroomsterkte is overal in de stroomkring gelijk.

b)

De totale stroomsterkte is het grootst door het eerste lampje.

c)

De totale stroomsterkte vind je door de stroomsterktes door de drie lampjes bij elkaar op te tellen.

d)

De stroom kan maar één route volgen.

13.
Het plaatje is het symbool van een:
a)
Batterij
b)
Een gesloten schakelaar
c)
Een geopende schakelaar
d)
Een lamp
14.
Hoeveel stroomkringen heeft het schakelschema in het plaatje?
a)
3
b)
5
c)
6
d)
7
15.
In een serieschakeling is de spanning overal hetzelfde.
a)
Waar
b)
Niet waar
16.
Wat voor schakeling wordt in de afbeelding weergegeven?
a)
Een serieschakeling
b)
Een parallelschakeling
17.
Een geleider laat stroom....
a)
Makkelijk door
b)
Niet door
c)
Moeilijk door
18.
Hoeveel spanning geeft een staaf- of penlite-batterij?
a)
1,2 V
b)
1,5 V
c)
9 V
d)
4,5 V
19.
Uit hoeveel staaf-batterijen bestaan een platte batterij en hoeveel spanning geeft deze?
a)
1 Staaf-batterijen, 1,5 V
b)
2 Staaf-batterijen, 3 V
c)
3 Staaf-batterijen, 4,5 V
d)
4 Staaf-batterijen, 6 V
20.
Bij welk afval moet je een batterij doen?
a)
Restafval
b)
Groenafval
c)
Klein chemisch afval
d)
Composthoop
21.
Een generator....
a)
Zit op je fiets
b)
Is een grote dynamo
c)
Zit in je huis
22.
De spanning die een stopcontact in je huis geeft is....
a)
12 V
b)
24 V
c)
110 V
d)
230 V
23.
Een stroomkring kan geopend en gesloten worden met een....
a)
Batterij
b)
Lampje
c)
Weerstand
d)
Schakelaar
24.
Onderdelen in een schakelschema worden getekend met....
a)
Symbolen
b)
Schematische tekeningen
c)
Afbeeldingen van het onderdeel
25.
Als je onderdelen in één stroom kring achter elkaar schakelt dan staan ze....
a)
In serie
b)
Parallel
26.
Als er één apparaat kapot gaat in een serieschakeling dan doen de andere apparaten het....
a)
Nog wel
b)
Ook niet meer
27.

In een schakeling zijn drie lampjes in serie geschakeld. Welke twee beweringen over de stroom en de stroomsterkte in deze schakeling zijn waar?

a)

De stroomsterkte is overal in de stroomkring gelijk.

b)

De totale stroomsterkte is het grootst door het eerste lampje.

c)

De totale stroomsterkte vind je door de stroomsterktes door de drie lampjes bij elkaar op te tellen.

d)

De stroom kan maar één route volgen.

28.

Welke twee beweringen over overbelasting zijn waar?

a)

De stroom wordt te groot.

b)

De stroom ondervindt vrijwel geen weerstand meer.

c)

Er treedt kortsluiting in een apparaat op.

d)

Er zijn te veel apparaten op één groep aangesloten.

29.
Welke eenheid hoort bij spanning?
a)
Ampère
b)
Watt
c)
Wattuur
d)
Volt
30.
Hoeveel Volt wijst de meter aan?
a)
10
b)
11
c)
12
d)
13
31.
In een serieschakeling is de spanning overal hetzelfde.
a)
Waar
b)
Niet waar
32.
Heeft elk apparaat hetzelfde vermogen?
a)
Ja
b)
Nee
33.
Een geleider laat stroom....
a)
Makkelijk door
b)
Niet door
c)
Moeilijk door
34.
Wat gebeurt er met het draadje van een smelt-veiligheid (stop) als hij overbelast wordt?
a)
Smelt door
b)
Verbrand
c)
Ontploft
d)
Er gebeurt niks
35.
De aardlek-schakelaar schakelt alle groepen uit als....
a)
Stroom weglekt
b)
Er kortsluiting is
c)
Overbelasting is
36.
Welke soort batterij zie je hier?
a)
Knoopcel batterij
b)
Penlite AA batterij
c)
Blok batterij
d)
Staaf batterij
37.
Een platte batterij bestaat uit:
a)
4 AAA batterijen
b)
3 AA batterijen
c)
6 knoopcel batterijen
d)
2 blok batterijen
38.
De spanning van een normale staafbatterij is:
a)
6 Volt
b)
3 Volt
c)
1,5 Volt
d)
0,75 Volt
39.
Hoeveel spanning levert een oplaadbare batterij?
a)
1,4 Volt
b)
1,8 Volt
c)
1,2 Volt
d)
1,0 Volt
40.
Het licht op je fiets werkt op elektriciteit. Om elektriciteit te krijgen heb je een spanningsbron nodig.Welk antwoord bevat alleen maar spanningsbronnen?
a)
Batterij, spaarlamp, generator
b)
Kachel, gloeilamp, batterij
c)
Dynamo, generator, batterij
d)
Oven, spaarlamp, dynamo
41.
Waar wordt de spanning verlaagd voordat de elektriciteit je huis binnengaat?
a)
Stopcontact
b)
Elektriciteitscentrale
c)
verdeel station
d)
Transformator huisje
42.
Een generator....
a)
Zit op je fiets
b)
Is een grote dynamo
c)
Zit in je huis
43.

Stroom kan alleen lopen in een .......... stroomkring. WAT MOET ER OP DE STIPPELLIJN STAAN?

a)

Open

b)

Gesloten

c)

Onderbroken

44.
Een isolator laat stroom....
a)
Makkelijk door
b)
Niet door
c)
Moeilijk door
45.
Kunststof is een goede....
a)
Geleider
b)
Isolator
46.

In je huis staan alle apparaten...

a)

In serie

b)

Parallel

47.

Bij kortsluiting

a)

Wordt de stroomsterkte groter

b)

Loopt de stroom direct terug naar de spanningsbron

c)

Neemt de spanning af

d)

Zijn er te veel apparaten aangesloten

48.
Welke eenheid hoort bij spanning?
a)
Ampère
b)
Watt
c)
Wattuur
d)
Volt
49.

Veel apparaten werken op batterijen. Wat geven batterijen?

a)

licht

b)

elektriciteit

c)

warmte

d)

water

50.

Bij het dopje van een batterij staat altijd een

a)

plus

b)

min

51.

Eén kant van de batterij is plat. Dat is de .... kant van de batterij

a)

plus

b)

min

52.

Wat is de afkorting van volt?

a)

A

b)

S

c)

V

53.

Op de staaf-batterij staat: 1,5 V. Dit is de .....van de batterij

a)

spanning

b)

warmte

c)

grootte

d)

inhoud

54.

Hoe worden kleine staaf-batterijen ook wel genoemd?

a)

generator

b)

dynamo

c)

penlite-batterij

55.

Door batterijen achter elkaar te leggen, kun je de spanning vergroten. Dat noem je:

a)

batterijen in de lengte zetten

b)

batterijen in serie schakelen

c)

batterijen opstapelen

56.

Als je 3 penlinte-batterijen in serie schakelt. Wat is dan de spanning?

a)

4,5 V

b)

6 V

c)

3 V

d)

9 V

57.

Waarom kan het achterlicht van een fiets niet branden op één penlite-batterij?

a)

Dan is de batterij gauw leeg

b)

Eén penlite-batterij geeft te weinig spanning om het achterlicht te laten branden

c)

Eén penlite-batterij geeft te veel spanning om het achterlicht te laten branden

58.

Om elektriciteit te krijgen heb je een.............nodig

a)

spanningsbron

b)

lichtbron

c)

waterbron

59.

Welk voordeel heeft een dynamo wel, en een batterij niet?

a)

Een dynamo kan wel leegraken

b)

Een dynamo kan niet leeg raken

60.

Een dynamo in een windmolen noem je een...

a)

staaf-batterij

b)

windmolen

c)

generator

d)

penlite-batterij

61.

Hoe groot is de spanning op het stopcontact?

a)

200V

b)

230V

c)

220V

d)

210V

62.

Geef aan of deze spanning levensgevaarlijk is.

Een platte-batterij 4,5V

a)

levensgevaarlijk

b)

niet levensgevaarlijk

63.

In een oude kerstboom-verlichting zijn 20 lampjes in serie geschakeld. Een van de lampjes gaat kapot. Wat gebeurt er met de andere lampjes?

a)

die andere gaan feller branden

b)

die andere branden nu ook niet meer

c)

die andere blijven gewoon branden

d)

die andere gaan knipperen

64.

Wat kun je zeggen als in een parallel-schakeling een apparaat kapot is?

a)

de andere apparaten werken dan ook niet

b)

de andere apparaten werken wel

c)

de andere apparaten gaan ook kapot

65.

Een schakeling waarbij de apparaten apart van elkaar werken, noem je een...

a)

in serie schakelen

b)

een parallel-schakeling

c)

een stroomkring

66.

In een radio zorgt elektriciteit voor..

a)

licht

b)

warmte

c)

geluid

d)

beweging

67.

In een lamp zorgt elektriciteit voor..

a)

licht

b)

warmte

c)

geluid

d)

beweging

68.

In een mixer zorgt elektriciteit voor..

a)

licht

b)

warmte

c)

geluid

d)

beweging

69.

In een elektrische deken zorgt elektriciteit voor..

a)

licht

b)

warmte

c)

geluid

d)

beweging

70.

Wanneer schakelt een aardlek-schakelaar de stroom uit?

a)

als de aardlek-schakelaar een verschil tussen ingaande en uitgaande stroom meet.

b)

als er een kraan in huis lekt

c)

als er kortsluiting is

d)

als er overbelasting is

71.

Wanneer zit de verklikker niet meer op zijn plaats?

a)

als de smelt-veiligheid goed is

b)

alleen als er over-belasting is geweest

c)

alleen als er kortsluiting is geweest

d)

als er kortsluiting of over-belasting is geweest

72.

Waarom is de verklikker van een smelt-veiligheid gekleurd?

a)

hierdoor zie je de smelt-veiligheid beter zitten

b)

omdat een gekleurde verklikker mooier is dan een niet-gekleurde

c)

omdat je dan kunt zien voor welke maximale stroom hij geschikt is

d)

omdat de prijs dan hoger kan zijn als ze hem verkopen

73.

Je hebt een koper-draad aangesloten op de plus van een batterij. Je houdt die draad tegen de min van de batterij. Je maakt dan OVER-BELASTING/KORTSLUITING

a)

OVER-BELASTING

b)

KORTSLUITING

74.

Als er over-belasting is, dan schakelt een veiligheid in de meterkast de elektriciteit IN/UIT

a)

IN

b)

UIT

75.

Een koperen draad in het snoertje zorgt WEL/NIET voor geleiding

a)

WEL

b)

NIET