wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Weer en Klimaat H1

Total questions: 51

Worksheet time: 33mins

Name
Class
Date
1.
Het proces waarbij zeewater na verdamping uit zee via wolken, neerslag, grondwater en rivieren weer terug stroomt naar zee.
a)
Waterkringloop
b)
De korte kringloop
c)
Het verdampingsproces
d)
Het verdampingsproces
2.

De hoek waaronder de zonnestralen het aardoppervlak raken.

a)

De zomerstand van de aarde

b)

De winterstand van de aarde

c)

De zonnewende

d)

Zoninvalshoek

3.
Als water verdampt, ontstaat het onzichtbare gas.
a)
Stoom
b)
Watergas
c)
Condens
d)
Waterdamp
4.
Toestand van de dampkring op een bepaald moment op een bepaalde plaats.
a)
Weer
b)
Klimaat
c)
Luchtlaag
d)
Atmosfeer
5.
Welk klimaat lees je af in deze klimaatgrafiek
a)
Tropisch klimaat
b)
Savanneklimaat
c)
Gematigd zeeklimaat 
d)
Steppeklimaat 
6.
De plek waar de zon recht instraalt en een klein oppervlak verwarmt is de......
a)
Hoge breedte
b)
Lage breedte
7.
Op de lage breedte legt de zon een ..............................weg af dan op hoge breedte
a)
langere
b)
kortere
8.
Lucht stroomt altijd van....?
a)
A naar B
b)
lage druk naar hoge druk
c)
links naar rechts
d)
hoge druk naar lage druk
9.
Wie meet het weer in Nederland?
a)
KNMI
b)
KMNI
c)
KIMN
d)
KNIM
10.
De plek waar een land ligt, of een land bergen heeft en of er zeeën/oceanen in de buurt zijn, bepalen:
a)
het klimaat
b)
de hoeveelheid regen
c)
de zeestromen
d)
broeikasgassen
11.

Wat is het voordeel van het natuurlijk broeikaseffect?

a)

zonder broeikaseffect zou het te droog of te vochtig worden op aarde.

b)

zonder broeikaseffect zou het te heet worden op aarde.

c)

zonder broeikaseffect zou het te koud worden op aarde.

12.
Wat zijn de gevolgen van het versterkt broeikaseffect?
a)
overstromingen, stijging van de zeespiegel, extreme weersomstandigheden 
b)
grotere gebergtes, meer aardbevingen, veel regen
c)
veel regen, meer begroeiing, meer ijs- en sneeuw op de polen
13.
Welke omschrijving past het Nederlandse klimaat?
a)
In Nederland is het warm en vochtig
b)
In Nederland is het droog en koud
c)
In Nederland is het overdag warm en 's nachtig koud
d)
Nederland heeft koele zomers en milde winters.
14.
De temperatuur wordt gemeten met een ...
a)
barometer
b)
thermometer
c)
pluviometer
15.
De luchtdruk wordt gemeten met een ...
a)
thermometer
b)
barometer
c)
anemometer
16.

Door het versterkt broeikaseffect smelt er meer landijs dan normaal. Al dat smeltwater stroomt de zee in. Er komt nu meer druk op de dijken en de duinen door de stijging van de ...

a)

broeikasgassen

b)

zeespiegel

c)

CO2-gassen

17.
Dit plaatje laat het versterkt broeikaseffect zien
a)
Juist
b)
Onjuist
18.
Als water van gasvorm overgaat naar vloeibare vorm, heet dat...?
a)
verdampen
b)
condenseren
c)
vriezen
d)
smelten
19.
Wat is luchtdruk?
a)
de beweging van lucht
b)
hoe snel de lucht beweegt
c)
het gewicht van de lucht
d)
of lucht veel te doen heeft
20.
Hoe wordt een lijn genoemd met dezelfde luchtdruk?
a)
huh?
b)
isotherm
c)
isobaar
d)
isothoop
21.
Met welke schaal wordt de windkracht gemeten?
a)
Schaal van Richter
b)
Schaal van Ballot
c)
Schaal van Newton
d)
Schaal van Beaufort
22.
Een zuidenwind waait naar het............
a)
noorden
b)
zuiden
c)
oosten
d)
westen
23.
Wat moet worden ingevuld op de stippeltjes? Hoe....de bewolkingsgraad, hoe..... de zonkracht.
a)
hoger en hoger
b)
lager en lager
c)
lager en hoger
d)
dieper en voller
24.
In dal is temp. 20 graden. Berg is 5000 m. hoog. Wat is temp. op top van berg?
a)
-50 graden
b)
-20 graden
c)
0 graden
d)
-10 graden
25.

Als de isobaren op een weerkaart dicht bij elkeaar liggen is er sprake van......

a)

een probleem

b)

een krachtige wind

c)

een windstilte

d)

chaos

26.
Dalende lucht is.......?
a)
koude lucht
b)
droge lucht
c)
warme lucht
d)
vochtige lucht
27.
Als water via rivieren en sloten terugstroomt naar zee is sprake van?
a)
infiltreren
b)
afstromen
c)
transpireren
d)
irriteren
28.
Als water de grond in zakt is sprake van?
a)
irrigatie
b)
condensatie
c)
transpiratie
d)
infiltratie
29.
De hoeveelheid neerslag die in een bepaalde tijd valt. Welk begrip?
a)
neerslaghoeveelheid
b)
neerslag
c)
neerslagintensiteit
d)
onweersbui
30.
Wat is geen broeikasgas?
a)
CO2
b)
CH4
c)
H20
d)
S02
31.
Wel land heeft de grootste ecologische voetafdruk?
a)
Kenia
b)
Turkije
c)
Nederland
d)
VS
32.
Welke aanvulling van de definitie is juist?
Wind is een luchtverplaatsing van
a)
het noorden naar het zuiden
b)
het zuiden naar het noorden
c)
van een lagedrukgebied naar een hogedrukgebied
d)
van een hogedrukgebied naar een lagedrukgebied
33.

Waarom heeft Limburg gemiddeld meer zomerse dagen dan de rest van Nederland? (2 antw goed)

a)

Het ligt verder van zee dan het westen

b)

De wind is hier overwegend aflandig

c)

Het regent hier minder vaak

d)

Het ligt op lagere breedte dan het noorden

e)

Het ligt op hogere breedte dan het noorden

34.

Er staat een zuidenwind in de zomer in Nederland. Welke weerkaart past hier het beste bij?

a)
b)
c)
d)
35.
Geef aan of het om het weer of om het klimaat gaat.
Het kan met de dag veranderen.
a)
klimaat
b)
weer
36.
Geef aan of het om het weer of om het klimaat gaat.

Het verandert bijna niet. 
a)
klimaat
b)
weer
37.
Geef of het om het weer of om het klimaat gaat.
Wordt over dertig jaar berekend over een groot gebied.
a)
klimaat
b)
weer
38.
Geef van de aan of het om het weer of om het klimaat gaat.
De toestand van de lucht op een bepaald moment in een klein gebied. 
a)
klimaat
b)
weer
39.

Hoe komt het dat het bij de evenaar warmer is dan op de Noord- of Zuidpool?

a)

De zon moet een groter oppervlak verwarmen.

b)

De zonnestralen vallen loodrecht op het aardoppervlak.

c)

De afstand van de zonnestralen door de dampkring is langer.

d)

Er is meer kans op weerkaatsing van het zonlicht.

40.

Welke regel hoort bij de temperatuurfactor breedteligging?

a)

Hoe verder van de evenaar, hoe kouder het is.

b)

Hoe hoger een plaats ligt, hoe kouder het is.

c)

Hoe verder van de zee, hoe groter het temperatuurverschil tussen zomer en winter.

41.

Welke regel hoort bij de temperatuurfactor hoogteligging?

a)

Hoe verder van de evenaar, hoe kouder het is.

b)

Hoe hoger een plaats ligt, hoe kouder het is.

c)

Hoe verder van de zee, hoe groter het temperatuurverschil tussen zomer en winter.

42.

Welke regel hoort bij de temperatuurfactor land- en zeeverdeling?

a)

Hoe verder van de evenaar, hoe kouder het is.

b)

Hoe hoger een plaats ligt, hoe kouder het is.

c)

Hoe verder van de zee, hoe groter het temperatuurverschil tussen zomer en winter.

43.

Met hoeveel graden daalt de temperatuur wanneer je 100 meter omhoog stijgt?

a)

0,1 graden Celsius

b)

0,6 graden Celsius

c)

6,0 graden Celsius

d)

1,0 graden Celsius

44.

Zorgt aanlandige wind in de zomer voor verkoeling of opwarming aan de kust?

a)

Verkoeling

b)

Opwarming

45.

Zorgt aanlandige wind in de winter voor verkoeling of opwarming aan de kust?

a)

Verkoeling

b)

Opwarming

46.

Hoe komt het dat Nederland relatief zachte winters kent, en Canada (op dezelfde breedtegraad) relatief koude winters?

a)

Verschil in breedteligging.

b)

Verschil in hoogteligging.

c)

Verschil in ligging aan zee of in het land.

d)

Verschil in zeestromen.

47.

Kenmerken van een lage drukgebied:

stijgende lucht dus wolken en neerslag. Meestal een luchtdruk van onder de 1000 hPa. Andere benaming: depressie of minimum

a)

Juist

b)

Onjuist

48.

Kenmerken van een hoge drukgebied:

dalende lucht dus geen wolken en geen neerslag. Meestal een luchtdruk van boven de 1000 hPa. Andere benaming: maximum

a)

Juist

b)

Onjuist

49.

''Er ligt een lage drukgebied boven Nederland, want er is geen wolkje aan de lucht''

a)

Juist

b)

Onjuist

50.

Er kan alleen maar neerslag vallen in een lagedrukgebied. Dat komt omdat er dan sprake is van stijgende lucht en alleen dan kunnen er wolken gevormd worden, want de stijgende lucht condenseert.

a)

Juist

b)

Onjuist

51.

Door het versterkt broeikaseffect warmt het Nederlandse klimaat op. Een gevolg hiervan is de relatieve zeespiegelstijging. Waarom is dit vooral voor Nederland problematisch?

a)

Nederland ligt voor een deel onder de zeespiegel

b)

Nederland ligt voor een deel boven de zeespiegel