wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Oefenen voor de toets

Total questions: 30

Worksheet time: 15mins

Name
Class
Date
1.

Wat is het meervoud van kopie?

a)

kopieën

b)

kopies

c)

kopiën

d)

kopietjes

2.

Hoe heten de twee puntjes boven de ë

a)

Aanhalingsteken

b)

Accent grave

c)

Dubbele punt

d)

Trema

3.

Als een verhaal zich in het nu afspeelt, dan noemen we dat het ..........

a)

verleden

b)

heden

c)

toekomst

4.

Een verhaal waarin de gebeurtenissen zich op een logische achtereenvolgende manier afspelen noemen we:

a)

Archeologisch

b)

Chronologisch

c)

Alfabetisch

d)

Niet Chronologisch

5.

Welk tekstdoel heeft de schrijver van een spannend boek?

a)

Informeren

b)

Enthousiasmeren

c)

Activeren

d)

Amuseren

6.

Welke tekstsoort past bij het tekstdoel 'activeren'?

a)

Een grappig verhaal in de krant

b)

Een leertekst in je wiskundeboek

c)

Een poster van het concert van Marco Borsato in Ahoy

d)

Een advertentie in de krant

e)

Een klein verhaaltje op een pizzadoos waar op vermeld staat waar de ingrediënten vandaan komen

7.

Wat zijn verwijswoorden?

a)

Woorden die verbanden aangeven in zinnen

b)

Woorden die verwijzen naar één of meerdere woorden in de tekst

c)

Woorden die je doorverwijzen naar een andere pagina

8.

Wat is het verwijswoord in deze zin: Ik ben mijn boterhammen vergeten, ze liggen nog in de koelkast.

a)

boterhammen

b)

vergeten

c)

ze

d)

liggen

9.

De hamerhaai is een fantastisch beest. Ze kunnen wel vier meter lang worden en leven gemiddeld tien tot twintig jaar. Dat is behoorlijk lang voor een zoogdier, de meeste worden maar acht.


Waar verwijst het woord 'Dat' naar in bovenstaande zin?

a)

Naar de gemiddelde lengte van hamerhaaien

b)

Naar de gemiddelde leeftijd van hamerhaaien

c)

Naar de eigenschappen van hamerhaaien

d)

Naar hamerhaaien

10.

Je zou koffie zetten, dat had je gezegd!


Waar verwijst het verwijswoord 'dat' naar?

a)

koffie

b)

je zou koffie zetten

c)

je

d)

beloftes

11.

Welk verband geven de signaalwoorden 'ten eerste' 'ook' en 'bovendien' aan?

a)

Opsomming

b)

Tegenstelling

c)

Tijd

d)

Voorbeeld

12.

Wat is een signaalwoord die het verband 'tijd' aangeeft?

a)

Maar

b)

Toen

c)

Bijvoorbeeld

d)

Zoals

13.

Wat is de betekenis van het woord 'qua'?

a)

wat betreft

b)

ongeveer

c)

wat

d)

zoals

14.

Wat betekent 'opzadelen met'?

a)

Iemand iets geven waar je niet zoveel aan hebt

b)

Iemand belasten met is wat je zelf niet wilt doen

c)

Mensen opschepen met klusjes

d)

Iemand iets vervelends laten doen of laten voelen

15.

Wat betekent 'besparen'?

a)

Uit afval stoffen halen en die opnieuw gebruiken

b)

Geld overhouden om leuke dingen mee te doen

c)

Zonder nuttig doel opmaken, verkwisten

d)

Overhouden door zuinig te zijn

16.

Welk woord past bij deze betekenis: "wat lang goed blijft"

a)

duurzaam

b)

het milieu

c)

aanhoudend

d)

verspillen

17.

Wat betekent 'in verkeerde handen vallen'?

a)

In het criminele circuit aan de slag gaan.

b)

Bij iemand terecht komen die niet zo handig is.

c)

Bij iemand terechtkomen die je kwaad doet.

18.

Wat betekent het woord 'verspillen'?

a)

Drinken morsen

b)

Pillen die uit het koelvak komen

c)

Veel kilometers rijden; benzine opmaken zonder dat het echt nodig is.

d)

zonder nuttig doel opmaken, verkwisten

19.

Wat is een achtervoegsel?

a)

Een stukje dat je achter een woord kunt toevoegen

b)

Een stukje dat je voor een woord kunt zetten

c)

Een woord waar je iets voor kunt zetten

20.

Kies de woorden met een achtervoegsel (meerdere antwoorden mogelijk)

a)

Ongeluk

b)

Boerinnetje

c)

Kromzwaard

d)

Zwaardvis

e)

Zangeres

21.

Als we het grondwoord 'eet' hebben, dan kunnen we daar achtervoegsels aan vastplakken. Bij welk antwoord is dat gebeurd?

a)

vergeet

b)

vreetbui

c)

eetbaar

d)

kreet

22.

Wat is het grondwoord van het woord onleefbaar

a)

leefbaar

b)

on

c)

leef

d)

leven

23.

Wat is het achtervoegsel in kinderachtig?

a)

kinder

b)

achtig

c)

acht

d)

tig

24.

Ik heb je een vraag gesteld.


Wat is het meewerkend voorwerp in bovenstaande zin?

a)

Ik

b)

een vraag

c)

gesteld

d)

je

25.

Wat is de persoonsvorm in deze zin: Alle boeren hadden plotseling kiespijn gekregen.

a)

hadden

b)

hadden gekregen

c)

kiespijn

d)

Alle boeren

26.

De zeven tulpen van ome Bert hebben mij veel plezier gegeven.


Wat is het lijdend voorwerp in bovenstaande zin?

a)

De zeven tulpen van ome Bert

b)

hebben gegeven

c)

mij

d)

veel plezier

27.

Wat is het onderwerp in deze zin: Het konijn van mijn allerliefste oma is eergisteren overreden.

a)

is overreden

b)

konijn

c)

het konijn

d)

mijn allerliefste oma

e)

het konijn van mijn allerliefste oma

28.

Wat is het meervoud van therapie

a)

therapiën

b)

therapieën

c)

therapieeën

29.

Waar hangt het vanaf of je iën of ieën schrijft?

a)

Het voorzetsel

b)

Eindletter

c)

Meervoudsvorm

d)

Klemtoon

30.

Wat is het meewerkend voorwerp: Mijn vriendin heeft haar een kaart gestuurd.

a)

Heeft gestuurd

b)

gestuurd

c)

mijn vriendin

d)

haar