wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Havo 3 H3 Talent

Total questions: 36

Worksheet time: 36mins

Name
Class
Date
1.

Welke van de volgende eigenschappen is geen kenmerk van een personale verteller?

a)

Het verhaal is in de hij/zij-vorm geschreven.

b)

Het perspectief ligt bij een van de personages.

c)

Je weet van meerdere personen wat zij denken, zien en voelen.

2.

Welke van de volgende kenmerken hoort bij een alwetende verteller?

a)

De verteller weet precies wat er gaat gebeuren of gebeurd is.

b)

De verteller speelt altijd zelf een rol in het verhaal.

c)

De verteller heeft alleen inzicht in de gedachten en gevoelens van de hoofdpersoon.

3.

Wat betekent wars zijn van iets?

a)

afkeer hebben van iets

b)

iets heel erg leuk vinden

c)

iets nog nooit gedaan hebben

d)

iets moeilijk vinden

4.

In welke zin is het woord cliché goed gebruikt?

a)

Een kameel het schip der woestijn noemen is echt een cliché.

b)

Dat vrouwen het huishouden doen is echt een cliché.

c)

Dat hij die oude vrouw zo brutaal aansprak, is echt een cliché.

5.

Welk van onderstaande woorden kan omschreven worden als 'uit één geval algemene conclusies trekken'?

a)

generaliseren

b)

begeren

c)

bevestigen

d)

opzadelen met

6.

Als iemand zachtmoedig is, wat is die persoon dan?

a)

vriendelijk

b)

een watje

c)

geleerd

d)

bang

7.

Wat betekent ondernemend?

a)

Actief

b)

Risicovol

c)

Startend

d)

Afwachtend

8.

Welk van de volgende woorden is een taboewoord?

a)

Vrouw

b)

Wijf

c)

Dame

d)

Meisje

9.

Het woord fack is voor sommigen een taboewoord, terwijl het voor anderen een vrij normaal woord is. Van welk van onderstaande factoren hangt dat vooral af?

a)

Je leeftijd

b)

Je geloofsovertuiging

c)

Je nationaliteit

10.

Wat is de functie van de bijzin in de volgende zin?


Hij wist nog niet of hij naar het feestje zou gaan.

a)

Bijwoordelijke bepaling

b)

Lijdend voorwerp

11.

Wat is de functie van de bijzin in de volgende zin?


Als we in Frankrijk zijn, wil ik zeker Parijs bezoeken.

a)

Bijwoordelijke bepaling

b)

Lijdend voorwerp

12.

Met welk voegwoord begint kan een bijwoordelijke bijzin niet beginnen?

a)

nadat

b)

omdat

c)

doordat

d)

zodat

e)

dat

13.

Door welk woord kun je de bijzin in onderstaande zin vervangen?


Wij gaan nu naar bed, zodat we morgen goed uitgerust zijn.

a)

daardoor

b)

daarom

c)

dat

d)

dan

14.

Welk van de onderstaande uitspraken is waar?

a)

Een bijwoordelijke bijzin kan alleen voor de hoofdzin staan.

b)

Een bijwoordelijke bijzin kan alleen na de hoofdzin staan.

c)

Een bijwoordelijke bijzin kan zowel voor als na de hoofdzin staan.

15.

Wat is de werkwoordstijd van de volgende zin?


Frank zal wel niet meer naar Denise gegaan zijn.

a)

o.t.t.t.

b)

v.t.t.

c)

v.t.t.t.

d)

v.v.t.t

16.

Wat is de werkwoordstijd van de volgende zin?


Die misdadiger heeft al heel wat onschuldige mensen misleid.

a)

o.t.t.

b)

v.t.t.

c)

v.v.t.

d)

v.t.t.t.

17.

Wat is de werkwoordstijd van de volgende zin?


Die herkenbare melodie uit die symfonie herhaalt zich telkens weer.

a)

o.t.t.

b)

v.t.t.

c)

o.t.t.t.

d)

o.v.t.

18.

Welke van de volgende zinnen staat in de v.v.t.t.?

a)

Hij zou met haar gedanst hebben.

b)

Hij zou met haar dansen.

c)

Hij zal met haar gedanst hebben.

d)

Hij zal met haar dansen.

19.

Welke zin staat in de o.v.t.?

a)

Hendrik sliep een gat in de dag.

b)

Hendrik had een gat in de dag geslapen.

c)

Hendrik zal een gat in de dag slapen.

d)

Hendrik zou een gat in de dag slapen.

20.

In welke zin is er sprake van een foutieve samentrekking?

a)

Op die nieuwe school werk je met goede boeken en de leerlingen met de laptop.

b)

In de winter ga ik naar Frankrijk om te skiën en naar Spanje om te zonnen.

c)

Hij werd niet goed en werd naar huis gebracht.

21.

Welk van de volgende zinnen is geen foutieve samentrekking?

a)

Paul is ziek en daarom naar huis gegaan.

b)

Het reisgezelschap had kilometers gelopen en daardoor heel wat schoenen versleten.

c)

Jannes gaf over in de struiken en niks meer om drank.

d)

De koekjes waren knapperig en de taart zacht.

22.

In de volgende zin is er sprake van een foutieve samentrekking. Waarom?


Ik liet de honden uit en mijn sleutels vallen.

a)

Het weggelaten deel heeft een andere betekenis.

b)

Het weggelaten deel heeft een andere vorm.

c)

Het weggelaten deel heeft een andere grammaticale functie.

23.

In de volgende zin is er sprake van een foutieve samentrekking. Waarom?


Alle bussen worden schoongemaakt, maar de grote touringbus gerepareerd.

a)

Het weggelaten deel heeft een andere betekenis.

b)

Het weggelaten deel heeft een andere vorm.

c)

Het weggelaten deel heeft een andere grammaticale functie.

24.

Vul het juiste werkwoord in.


Zij heeft tijdens de wedstrijd de meeste punten ..... (behalen).

a)

behaald

b)

behaalt

c)

behalen

25.

Vul het juiste werkwoord in.


De hooligans kwamen ..... (joelen) het stadion uit.

a)

joelend

b)

joelent

c)

gejoeld

d)

gejoelt

26.

Vul het juiste werkwoord in.


Dit fenomeen is jarenlang ..... (onderzoeken).

a)

ge-onderzoekt

b)

ondergezoekt

c)

onderzocht

d)

ge-onderzoekd

27.

Vul het juiste werkwoord in.


Afgelopen week heb ik drie keer op internet ..... (surfen).

a)

gesurft

b)

gesurfd

c)

gesurfen

d)

surfend

28.

Vul het juiste werkwoord in.


De dokter keek de patiënt ..... (begrijpen) aan.

a)

begrijpend

b)

begrijpent

c)

begrepen

d)

begreep

29.

Wanneer gebruik je geen hoofdletter?

a)

Aan het begin van een zin

b)

Bij eigennamen

c)

Bij windstreken

d)

Bij feestdagen

e)

Bij historische gebeurtenissen

30.

Welke naam is goed geschreven?

a)

Mevrouw Van der Stelt-de Vries

b)

Mevrouw van der Stelt-de Vries

c)

Mevrouw Van der Stelt-De Vries

d)

Mevrouw van der Stelt-De Vries

31.

Welke zin is goed geschreven?

a)

Tijdens de paasbrunch vertelde mijn oom over zijn Britse Aston Martin.

b)

Tijdens de Paasbrunch vertelde mijn oom over zijn Britse Aston Martin.

c)

Tijdens de Paasbrunch vertelde mijn oom over zijn britse Aston Martin.

d)

Tijdens de paasbrunch vertelde mijn oom over zijn britse Aston Martin.

32.

Welke zin is goed geschreven?

a)

Op Valentijnsdag sterft het 's avonds van de verliefde stelletjes.

b)

Op Valentijnsdag sterft het 's Avonds van de verliefde stelletjes.

c)

Op valentijnsdag sterft het 's avonds van de verliefde stelletjes.

d)

Op valentijnsdag sterft het 's Avonds van de verliefde stelletjes.

33.

Welk woord moet niet met een hoofdletter?

a)

Rolex

b)

Holocaust

c)

Hemelvaartsdag

d)

Nieuwjaarsborrel

34.

Welk woord is goed gespeld?

a)

rektificatie

b)

rectificatie

c)

rektifikatie

d)

rectifikatie

35.

Welke van onderstaande woorden is verkeerd gespeld?

a)

comprommitterend

b)

excecutie

c)

certificaat

d)

octrooi

36.

Welk woord is goed gespeld?

a)

quitantie

b)

qwitantie

c)

kwitantie

d)

cwitantie