wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

elektriciteit nask bk

Total questions: 64

Worksheet time: 56mins

Name
Class
Date
1.

Veel apparaten werken op batterijen. Wat geven batterijen?

a)

licht

b)

elektriciteit

c)

warmte

d)

water

2.

Wat is een eenvoudige batterij?

a)

platte batterij

b)

generator

c)

staaf-batterij

3.

Bij het dopje van een batterij staat altijd een

a)

plus

b)

min

4.

Eén kant van de batterij is plat. Dat is de .... kant van de batterij

a)

plus

b)

min

5.

Wat is de afkorting van volt?

a)

A

b)

S

c)

V

6.

Op de staaf-batterij staat: 1,5 V. Dit is de .....van de batterij

a)

spanning

b)

warmte

c)

grootte

d)

inhoud

7.

Hoe worden kleine staaf-batterijen ook wel genoemd?

a)

generator

b)

dynamo

c)

penlite-batterij

8.

Door batterijen achter elkaar te leggen, kun je de spanning vergroten. Dat noem je:

a)

batterijen in de lengte zetten

b)

batterijen in serie schakelen

c)

batterijen opstapelen

9.

Als je 3 penlinte-batterijen in serie schakelt. Wat is dan de spanning?

a)

4,5 V

b)

6 V

c)

3 V

d)

9 V

10.

Een staaf-batterij geeft WEL/ NIET evenveel spanning als een penlite-batterij

a)

wel

b)

niet

11.

Waarom kan het achterlicht van een fiets niet branden op één penlite-batterij?

a)

Dan is de batterij gauw leeg

b)

Eén penlite-batterij geeft te weinig spanning om het achterlicht te laten branden

c)

Eén penlite-batterij geeft te veel spanning om het achterlicht te laten branden

12.

Welke batterij bestaat uit drie staaf-batterijen?

a)

penlite-batterij

b)

staaf-batterij

c)

platte-batterij

13.

Waren horen lege batterijen?

a)

bij het klein chemisch afval

b)

bij GFT-afval

c)

bij het oud papier

14.

Welke batterij kun je opnieuw gebruiken?

a)

penlite-batterij

b)

platte-baterij

c)

staaf-batterij

d)

oplaadbare batterij

15.

Als de werkzame stoffen in de batterij op zijn, dan

a)

is de batterij vol

b)

is de batterij nieuw

c)

is de batterij leeg

16.

Om elektriciteit te krijgen heb je een.............nodig

a)

spanningsbron

b)

lichtbron

c)

waterbron

17.

Welk voordeel heeft een dynamo wel, en een batterij niet?

a)

Een dynamo kan wel leegraken

b)

Een dynamo kan niet leeg raken

18.

Een dynamo in een windmolen noem je een...

a)

staaf-batterij

b)

windmolen

c)

generator

d)

penlite-batterij

19.

Waar wordt spanning verlaagd voordat de elektriciteit je huis binnengaat?

a)

in een transformator-huisje

b)

in een elektriciteits-centrale

c)

in een verdeel-station

d)

in een stopcontact

20.

Hoe groot is de spanning op het stopcontact?

a)

200V

b)

230V

c)

220V

d)

210V

21.

Geef aan of deze spanning levensgevaarlijk is.

Een platte-batterij 4,5V

a)

levensgevaarlijk

b)

niet levensgevaarlijk

22.

Geef aan of deze spanning levensgevaarlijk is.

Spanning via het stopcontact 230V

a)

levensgevaarlijk

b)

niet levensgevaarlijk

23.

Met een schakelaar kun je de stroomkring onderbreken of sluiten

a)

waar

b)

niet waar

24.

In een onderbroken stroomkring kan de stroom altijd rond

a)

waar

b)

niet waar

25.

Een symbool is een eenvoudig teken voor iets uit de werkelijkheid

a)

waar

b)

niet waar

26.

Een lampje brandt alleen in een onderbroken stroomkring

a)

waar

b)

niet waar

27.

Welke apparaten staan altijd in serie om goed te kunnen werken?

a)

tv en schemerlamp

b)

schakelaar en wasmachine

c)

schemerlamp en wasmachine

d)

wasmachine en tv

28.

In een oude kerstboom-verlichting zijn 20 lampjes in serie geschakeld. Een van de lampjes gaat kapot. Wat gebeurt er met de andere lampjes?

a)

die andere gaan feller branden

b)

die andere branden nu ook niet meer

c)

die andere blijven gewoon branden

d)

die andere gaan knipperen

29.

Wat kun je zeggen als in een parallel-schakeling een apparaat kapot is?

a)

de andere apparaten werken dan ook niet

b)

de andere apparaten werken wel

c)

de andere apparaten gaan ook kapot

30.

Een apparaat dat een stroomkring kan openen of sluiten, is een...

a)

schakelaar

b)

lampje

c)

batterij

31.

Een schakeling waarbij de apparaten apart van elkaar werken, noem je een...

a)

in serie schakelen

b)

een parallel-schakeling

c)

een stroomkring

32.

Batterijen die geschakeld worden om de spanning te verhogen, staan in..

a)

serie

b)

de koelkast

c)

een zaklamp

33.

In een radio zorgt elektriciteit voor..

a)

licht

b)

warmte

c)

geluid

d)

beweging

34.

In een lamp zorgt elektriciteit voor..

a)

licht

b)

warmte

c)

geluid

d)

beweging

35.

In een mixer zorgt elektriciteit voor..

a)

licht

b)

warmte

c)

geluid

d)

beweging

36.

In een elektrische deken zorgt elektriciteit voor..

a)

licht

b)

warmte

c)

geluid

d)

beweging

37.

Een draad van een halogeen-lamp is gemaakt van..

a)

halogeen

b)

speciaal metaal

c)

gewoon metaal

38.

Een spaarlamp geeft licht, als er elektrische stroom loopt door:

a)

het gas in de lamp

b)

het speciale metaal in de lamp

c)

het gewone metaal in de lamp

39.

Een spaarlamp wordt WEL/NIET zo warm als een halogeen-lamp

a)

WEL

b)

NIET

40.

Welke twee soorten energie van de automotor zijn energie-verlies?

a)

warmte en geluid

b)

warmte en kracht

c)

warmte en snelheid

41.

Zit je een tijdje achter de laptop, dan voel je laptop soms warm aan.

Deze warmte is WEL/ GEEN energie-verlies

a)

WEL

b)

GEEN

42.

Tijdens het werken met je laptop, is je beeldscherm verlicht.

Dit licht is WEL/GEEN energie-verlies

a)

WEL

b)

GEEN

43.

De energie uit een elektro-motor die je wilt, is..

a)

licht-energie

b)

warmte-energie

c)

bewegings-energie

44.

In een spaarlamp zit een gloeidraad

a)

waar

b)

niet waar

45.

500 W is gelijk aan:

a)

50 kW

b)

5 kW

c)

0,5 kW

46.

2,8 kW is gelijk aan .........W

a)

28

b)

2,8

c)

280

d)

2800

47.

Welke eenheid gebruik je voor het meten van elektrische energie?

a)

watt

b)

kilowatt

c)

kilowatt-uur

d)

volt

48.

Is het een geleider of een isolator?

a)

staal is een geleider

b)

staal is een isolator

49.

Is het een geleider of een isolator?

a)

plastic is een geleider

b)

plastic is een isolator

50.

Is het een geleider of een isolator?

a)

goud is een geleider

b)

goud is een isolator

51.

Is het een geleider of een isolator?

a)

porselein is een geleider

b)

porselein is een isolator

52.

Is het een geleider of een isolator?

a)

papier is een geleider

b)

papier is een isolator

53.

Is het een geleider of een isolator?

a)

brons is een geleider

b)

brons is een isolator

54.

Is het een geleider of een isolator?

a)

glas is een geleider

b)

glas is een isolator

55.

Een koperen draad in het snoertje zorgt WEL/NIET voor geleiding

a)

WEL

b)

NIET

56.

Als er over-belasting is, dan schakelt een veiligheid in de meterkast de elektriciteit IN/UIT

a)

IN

b)

UIT

57.

Je hebt een koper-draad aangesloten op de plus van een batterij. Je houdt die draad tegen de min van de batterij. Je maakt dan OVER-BELASTING/KORTSLUITING

a)

OVER-BELASTING

b)

KORTSLUITING

58.

Waarom is de verklikker van een smelt-veiligheid gekleurd?

a)

hierdoor zie je de smelt-veiligheid beter zitten

b)

omdat een gekleurde verklikker mooier is dan een niet-gekleurde

c)

omdat je dan kunt zien voor welke maximale stroom hij geschikt is

d)

omdat de prijs dan hoger kan zijn als ze hem verkopen

59.

Wanneer zit de verklikker niet meer op zijn plaats?

a)

als de smelt-veiligheid goed is

b)

alleen als er over-belasting is geweest

c)

alleen als er kortsluiting is geweest

d)

als er kortsluiting of over-belasting is geweest

60.

Wanneer schakelt een aardlek-schakelaar de stroom uit?

a)

als de aardlek-schakelaar een verschil tussen ingaande en uitgaande stroom meet.

b)

als er een kraan in huis lekt

c)

als er kortsluiting is

d)

als er overbelasting is

61.
Hoeveel batterijen zijn er nodig om een spanning te maken van 9 Volt?
(een batterij geeft ongeveer 1,5 Volt
a)
4
b)
5
c)
6
d)
7
62.
In een serieschakeling is de spanning overal hetzelfde.
a)
Waar
b)
Niet waar
63.
Het vermogen is de energie die een apparaat....
a)
Per seconde verbruikt
b)
Per minuut verbruikt
c)
Nodig heeft
d)
Oplevert
64.
Vermogen geef je aan in....
a)
Watt (W)
b)
Ampère (A)
c)
Volt (V)
d)
Coulomb (C)