WorksheetsH3 p1 en 2 2mavo
Total questions: 26
Worksheet time: 14mins
Name
Class
Date
1.
In welk jaar werd koning Willem I koning over Nederland, België en Luxemburg?
a)
1813
b)
1814
c)
1815
d)
1840
2.
Johan Rudolph Thorbecke was een
a)
liberaal
b)
socialist
c)
confessioneel
3.
Hoe noem je een koninkrijk met een grondwet?
a)
Een monarchie
b)
Een constitutionele monarchie
c)
Een land met een grondwet (lmg)
d)
Een revolutionaire monarchie
4.
De koning van Nederland werkte samen met een groep mensen bij het maken van wetten. Hoe heet die groep mensen?
a)
Regering
b)
Rijke burgers
c)
Regenten
d)
Parlement
5.
Na 1848 mocht de Nederlandse koning niet meer kiezen wie er in het parlement kwam. Hoe werd dit toen geregeld?
a)
De functie werd erfelijk
b)
Verkiezingen
c)
Er werden mensen uit de adelijke stand gekozen
6.
Wat was GEEN ingevoerde verandering na de grondwet van 1848?
a)
Parlement keurde wetten goed
b)
Parlement werd machtiger dan de koning
c)
Stemrecht voor iedereen
7.
Hoe noemen we de opkomst van de fabrieken?
a)
Fabriekenexplosie
b)
Industrialisatie
c)
Urbanisatie
d)
Industrie-explosie
8.
Waarom trokken mensen in de 19e eeuw van het platteland naar de steden?
a)
De fabrieken konden veel sneller produceren dan de huisnijverheid - meer werk dus
b)
Er was toen veel oorlog - In steden konden ze schuilen achter de muren
c)
Dit was toen in de mode
d)
Dit was een bevel van koning Willem II
9.
In 1848 gaf de koning opdracht een nieuwe grondwet te maken. Welke koning gaf die opdracht?
a)
Willem 1
b)
Willem 2
c)
Willem 3
d)
Wilhelmina
10.
In welk jaar kreeg Nederland een nieuwe grondwet
a)
1750
b)
1848
c)
1925
d)
1980
11.
De Belgen kwamen in dit jaar in opstand tegen Nederland
a)
1830
b)
1930
c)
1848
d)
1839
12.
Deze uitspraak past bij de grondwetswijziging van 1848
a)
de koning bestuurde door middel van koninklijk besluit
b)
het parlement moest naar de koning luisteren
c)
elke vier jaar kwamen er verkiezingen voor de Tweede kamer
d)
de koning stelt de Eerste Kamer samen
13.
Wat was een gevolg van de industrialisatie?
a)
bevolkingsafname
b)
armoede
c)
bevolkingsgroei
14.
Wat kun je zeggen over het werk van arbeiders rond 1870?
a)
te weinig vrije tijd
b)
hard werken voor weinig geld
c)
hard werken voor veel geld
15.
Waarom trekken fabriekseigenaren zich eerst niks aan van stakende arbeiders?
a)
Er zijn nog geen wetten om de arbeiders te beschermen
b)
Ze zijn de baas
c)
Ze doen lekker wat ze willen
16.
Welk deel van het Koninkrijk der Nederlanden was in 1815 het verst geïndustrialiseerd?
a)
België
b)
Nederland
17.
kapitalisme
a)
dat je veel geld wilt verdienen en dat je daar veel voor over hebt
b)
economische systeem waarbij alles draait om geld verdienen
c)
systeem van arbeiders die gaan werken voor fabrikanten en die het daardoor heel zwaar hebben
d)
sociaal systeem waar alles draait om veel geld te verdienen
18.
Door de industriële revolutie werden producten sneller gemaakt.
a)
Waar
b)
Niet waar
19.
De eerste stoomtrein loopt van ................. naar ...................
a)
Heythuysen naar Horn
b)
Amsterdam naar Haarlem
c)
Amsterdam naar Leiden
d)
Haarlem naar Leiden
20.
In welk land begonnen ze als eerste met het bouwen van fabrieken?
a)
Nederland
b)
Duitsland
c)
Frankrijk
d)
Groot-Brittannië
21.
Wat was een gevolg van de industrialisatie?
a)
bevolkingsafname
b)
armoede
c)
bevolkingsgroei
22.
Door het gebruik van machines in de fabrieken nam de landbouwproductie toe.
a)
onjuist
b)
juist
23.
Tot ....... hoorde België bij Nederland.
a)
1840
b)
1839
c)
1939
d)
1920
24.
Een kernbegrip bij het liberalisme is gelijkheid.
a)
Goed
b)
Fout
25.
Wat is industrialisatie?
a)
Overgang van handarbeid naar machines en opkomst van fabrieken
b)
Geen fabrieksarbeiders meer nodig, er komen meer robots.
c)
Veel mensen werkten in de fabriek, maar ging nu meer kantoorwerk doen.
26.
Nederland heeft de Industriele Revolutie
a)
nooit gekend
b)
vooral in Noord-Holland ontstaan
c)
in Twente en Tilburg plaats gehad
d)
in Noord-Brabant en Groningen
100 %
