Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Herhaling leerstof 2e jaar 2e trimester

Total questions: 61

Worksheet time: 31mins

Name
Class
Date
1.

Wat is een samenstelling?

a)

een woord in het meervoud

b)

een woord dat bestaat uit 2 of meer grondwoorden

c)

een woord dat in lettergrepen gesplitst kan worden

2.

Welk van deze woorden is een samenstelling?

a)

boekenkast

b)

boeken

c)

boekje

d)

boekjes

3.

Welk woord is een samenstelling?

a)

vriendelijk

b)

vrienden

c)

vriendjes

d)

vriendenboek

4.

Wat is een samenstelling?

a)

beleefd

b)

leefbaar

c)

leefloon

d)

levendig

5.

Welk woord is geen samenstelling?

a)

ringvinger

b)

belangrijk

c)

eettafel

d)

koffiekan

6.

Welk woord is een afleiding?

a)

kaftpapier

b)

pseudonaam

c)

bizar

7.

Welk woord is een afleiding?

a)

rekenmachine

b)

rook

c)

zichtbaar

8.

Wat is het meervoud van kolonie?

a)

Kolonie's

b)

Kolonieën

c)

Koloniën

d)

Kolienieën

9.

Wat is het meervoud van Olie?

a)

Oliën

b)

Olieën

c)

Olie's

10.

Wat is het meervoud van Epidemie?

a)

Epediemie's

b)

Epidemiën

c)

Emipediën

d)

Epidemieën

e)

Epide

11.

Wat is het meervoud van Aardbei?

a)

Aardbeijen

b)

Aardbeieën

c)

Aardbeijën

d)

Aardbeiën

e)

Aardbeien

12.

Wat is het meervoud van Porie?

a)

Poriën

b)

Porieën

c)

Pories

13.

Wat is het meervoud van Historie?

a)

Historiën

b)

Historieën

c)

Historie's

d)

Histories

14.

Wat is het meervoud van Melodie?

a)

Melodiën

b)

Melodieën

c)

Melodiëen

15.

Wat is het meervoud van Bacterie?

a)

Bacterieën

b)

Bacteries

c)

Bacterien

d)

Bacteriën

16.

Wat is het meervoud van Fee?

a)

Fee's

b)

Feeën

c)

Feetje

d)

Feën

17.
Kies het juist gespelde woord
a)
olieën
b)
oliën
18.
Kies het juist gespelde woord
a)
symfonieën
b)
symfoniën
19.
Kies het juist gespelde woord
a)
creëren
b)
creëeren
20.
Kies het juist gespelde woord.
a)
orientatie
b)
oriëntatie
21.
Kies het juist gespelde woord
a)
brasserieën
b)
brasseriën
22.

Welk van de volgende signaalwoorden hoort niet bij een opsommend verband?

a)

Bovendien

b)

Als laatste

c)

Echter

d)

Vervolgens

23.

'Voordat' is een signaalwoord dat hoort bij een...

a)

Tegenstellend verband

b)

Opsommend verband

c)

Chronologisch verband

24.

Een chronologisch verband beschrijft gebeurtenissen in de juiste tijdsvolgorde.

a)

Deze stelling is juist

b)

Deze stelling is onjuist

25.

Ten eerste, ten tweede en ten slotte zijn signaalwoorden die passen bij een tegenstellend verband.

a)

Deze stelling is juist

b)

Deze stelling is onjuist

26.

Welk signaalwoord hoort er bij het tekstverband opsomming?

a)

ook

b)

maar

c)

eerst

d)

doordat

27.

Welk signaalwoord hoort er bij het tekstverband tijdsvolgorde?

a)

Eerst

b)

En

c)

Doordat

d)

Bijvoorbeeld

28.

Welk tekstverband zie je tussen deze zinnen?


Slechte nachten zorgt voor chagrijnige mensen . Ook ongezonde voeding zorgt voor een slecht humeur.

a)

Chronologie

b)

Tegenstelling

c)

Opsomming

29.

Van welk tekstverband is hier sprake?


Hoewel hij niet van Spanje houdt, gaat hij er elk jaar heen.

a)

Opsomming

b)

Chronologie

c)

Tegenstelling

30.

Welk tekstverband hoort er bij onderstaande zin?


Je moet eerst de bloemen schuin afsnijden, daarna doe je water in een vaas en als laatste doe je de bloemen in de vaas.

a)

Chronologie

b)

Opsomming

c)

Tegenstelling

31.

Welk tekstverband zie je tussen deze zinnen?


Vancouver Island heeft ontzettend veel mooie natuur te bieden. Ook kun je er met een boot op zoek gaan naar walvissen en beren en zwemmen tussen de zalmen.

a)

Vergelijking

b)

Opsomming

c)

Tegenstelling

d)

Chronologie

32.

Voorbeelden van signaalwoorden zijn:

a)

Maar, en, toch, daarna, ten slotte.

b)

Juist, deze, hij, die.

c)

Dat, doen, daar, het, om, uit.

d)

Geen van allen.

33.
Wat is een homoniem? 
a)
Twee woorden die je hetzelfde schrijft maar iets anders betekenen.
b)
Twee woorden die je anders schrijft maar hetzelfde betekenen. 
c)
Twee woorden die je anders schrijft maar wel veel op elkaar lijken.
34.
Wat zijn synoniemen? 
a)
Twee woorden die je anders schrijft maar hetzelfde betekenen.
b)
Twee woorden die je hetzelfde schrijft en hetzelfde betekenen. 
c)
Twee woorden die je anders schrijft en iets anders betekenen.
35.
Zoek het homonieme woord.
a)
licht.
b)
spijkerbroek.
c)
pet.
d)
blik. 
36.
Zoek het homonieme woord. 
a)
Bok
b)
Kussen
c)
Fles. 
d)
Rekenmachine.
37.
Wat is het rode woord? Dat liedje is stom.
a)
Aanwijzend voornaamwoord
b)
Vragend voornaamwoord
38.
Wat is het roodkleurige voor voornaamwoord?
 Die school heeft een goede naam.
a)
Aanwijzend voornaamwoord
b)
Vragend voornaamwoord
39.
Wat voor voornaamwoord is het roodkleurige woord? Deze week ga ik een ander boek lezen.
a)
Vragend voornaamwoord
b)
Aanwijzend voornaamwoord
40.
Een vragend voornaamwoord verwijst naar dingen of mensen.
a)
waar
b)
niet waar
41.

Dit is zijn verhaal.

a)

Persoonlijk voornaamwoord

b)

Bezittelijk voornaamwoord

c)

Aanwijzend voornaamwoord

d)

Vragend voornaamwoord

42.
Ik heb haar nog niet gezien vandaag.
a)
Persoonlijk voornaamwoord
b)
Bezittelijk voornaamwoord
c)
Aanwijzend voornaamwoord
d)
Vragend voornaamwoord
43.
Help je je broer even?
a)
Persoonlijk voornaamwoord
b)
Bezittelijk voornaamwoord
c)
Aanwijzend voornaamwoord
d)
Vragend voornaamwoord
44.

Kan het zijn dat uw boek daar nog ligt?

a)

Persoonlijk voornaamwoord

b)

Bezittelijk voornaamwoord

c)

Aanwijzend voornaamwoord

d)

Vragend voornaamwoord

45.
Ik heb je alles verteld.
a)
Persoonlijk voornaamwoord
b)
Bezittelijk voornaamwoord
c)
Aanwijzend voornaamwoord
d)
Vragend voornaamwoord
46.

Hij geeft hen hun cadeautje.

a)

Persoonlijk voornamwoord

b)

Bezittelijk voornaamwoord

c)

Aanwijzend voornaamwoord

d)

Vragend voornaamwoord

47.

Wie heb jij afgelopen zomer het meest gemist?

a)

Persoonlijk voornamwoord

b)

Bezittelijk voornaamwoord

c)

Aanwijzend voornaamwoord

d)

Vragend voornaamwoord

48.

Ze heeft haar documenten op een externe schijf bewaard.

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

bezittelijk voornaamwoord

c)

aanwijzend voornaamwoord

d)

wederkerend voornaamwoord

e)

vragend voornaamwoord

49.

Nu vindt ze die niet meer.

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

bezittelijk voornaamwoord

c)

aanwijzend voornaamwoord

d)

wederkerend voornaamwoord

e)

vragend voornaamwoord

50.

Tijdens de projectdag hebben de leerlingen zich geen moment verveeld.

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

bezittelijk voornaamwoord

c)

aanwijzend voornaamwoord

d)

wederkerend voornaamwoord

e)

vragend voornaamwoord

51.

Wat heeft mijn vader beloofd?

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

bezittelijk voornaamwoord

c)

aanwijzend voornaamwoord

d)

wederkerend voornaamwoord

e)

vragend voornaamwoord

52.

Wij en we zullen ons weer ongelooflijk amuseren!

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

bezittelijk voornaamwoord

c)

aanwijzend voornaamwoord

d)

wederkerend voornaamwoord

e)

vragend voornaamwoord

53.

Het boek dat ik van mevrouw Snoeij heb gekregen, is erg leuk.

a)

betrekkelijk voornaamwoord

b)

aanwijzend voornaamwoord

c)

persoonlijk voornaamwoord

d)

bezittelijk voornaamwoord

54.
Wat is fictie?
a)
alle boeken die verzonnen zijn en die je voor je plezier leest
b)
alle boeken die in de bibliotheek staan
c)
alle boeken die je leest
55.
Wat is non-fictie?
a)
Alle boeken of kranten waar informatie in staat
b)
Een stripboek
c)
Een leesboek
56.
Het boek 'de biografie van president Obama' is een non-fictie boek. Het boek gaat over het leven van de president.
a)
waar
b)
niet waar
c)
half waar
57.
Waarvoor is een fictie-verhaal bedoeld?
a)
Om je te vermaken
b)
Om te zorgen dat jij het boek ook koopt
c)
Om je te informeren
58.
Wat voor boek is een receptenboek met alles over hoe je eten moet maken?
a)
Een fictie boek
b)
Een non-fictie boek
c)
Een vervelend boek
59.
Waaronder valt een bericht in de krant?
a)
Fictie
b)
Non-fictie
c)
Verhaal
60.
Waarvoor is een non-fictieverhaal bedoeld?
a)
Om je te activeren
b)
Om je te amuseren
c)
Om je informatie te geven
61.
De film 'Pirates of the Carribean' is een fictie verhaal.
a)
Niet waar
b)
Waar, het is niet realistisch
c)
Niet waar, het is realistisch