Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

E3Hb eindquiz Formuleren H1 t/m H4

Total questions: 20

Worksheet time: 8mins

Name
Class
Date
1.

Wat zijn signaalwoorden?

a)

woorden die een tekstverband aangeven

b)

woorden zoals: de, het, een

c)

woorden die in het slot van een tekst staan

d)

woorden die

2.

Wat is een doel van signaalwoorden?

a)

ze geven betekenis aan onbekende woorden

b)

ze zorgen voor duidelijkheid en leesbaarheid

3.

Wat zijn voorbeelden van signaalwoorden?

a)

dus, maar, en, toch, kortom

b)

zelfstandige naamwoorden en bijvoeglijk naamwoorden

c)

lidwoorden

d)

geen idee

4.

Welke signaalwoorden horen bij het opsommend tekstverband?

a)

maar, toch, daarentegen, immers

b)

kortom, dus, daarom, al met al

c)

indien, tenzij, wanneer, als...dan

d)

ook, bovendien, daarnaast, vervolgens

5.

Welke signaalwoorden horen bij het tekstverband 'voorwaarde'?

a)

eerst, daarna, dan, toen

b)

daardoor, doordat, als gevolg van

c)

als...dan, indien, tenzij, wanneer

d)

zo, bijvoorbeeld, neem nou, zoals

6.

Welk tekstverband hoort bij: doordat en daardoor?

a)

voorwaarde

b)

opsomming

c)

oorzaak-gevolg

d)

voorbeeld

7.

Welk tekstverband hoort bij: toen, eens, vroeger, uiteindelijk?

a)

tegenstelling

b)

opsomming

c)

tijd (chronologie)

d)

conclusie/samenvatting

8.

Wat is een samentrekking in zinnen?

a)

wanneer hetzelfde woord de tweede keer wordt weggelaten

b)

wanneer twee dezelfde woorden twee keer voorkomen

c)

één woord met twee verschillende betekenissen

d)

twee woorden met dezelfde betekenis in twee zinnen

9.

Een foutieve samentrekking is:

a)

een woord dat onterecht wordt weggelaten

b)

een woord dat op de verkeerde plek in de zin staat

c)

een woord dat onterecht niet weggelaten wordt

d)

een woord dat niet in de zin hoort

10.

Wat moet hetzelfde zijn om een woord weg te mogen laten?

a)

functie, betekenis, getal

b)

functie, lengte van de zin, voorbeeld

c)

getal, lengte van de zin, betekenis

d)

betekenis, lengte van de zin, onderwerp

11.

Kun je een foutieve samentrekking verbeteren?

a)

ja

b)

nee

12.

Wat is de eerste stap van het verbeterproces?

a)

woorden noteren die in het tweede deel zijn weggelaten

b)

functie, betekenis en getal bepalen

c)

vaststellen of de samentrekking correct is

d)

zinsdeel alsnog plaatsen als een weggelaten zinsdeel niet aan de drie voorwaarden voldoet

13.

Wat is een beknopte bijzin?

a)

een bijzin zonder pv en ow

b)

een bijzin met een pv, maar zonder ow

c)

een bijzin met een ow, maar zonder pv

d)

een bijzin met pv en ow

14.

Kunnen er dan alsnog werkwoorden in een beknopte bijzin staan?

a)

ja

b)

nee

15.

Wat is een verzwegen ow?

a)

het ow dat je vaak moet verzinnen (van de beknopte bijzin)

b)

het ow dat je vaak moet verzinnen (van de hoofdzin)

c)

het ow dat al in de hoofdzin staat

d)

het ow dat al in de beknopte bijzin staat

16.

Wanneer is een beknopte bijzin correct?

a)

als het verzwegen ow van de bijzin hetzelfde is als het ow van de hoofdzin

b)

als het verzwegen ow van de hoofdzin hetzelfde is als het ow van de bijzin

c)

als de onderwerpen van bijzin en hoofdzin niet hetzelfde zijn

d)

wut?

17.

Wanneer is een beknopte bijzin niet correct? Dus foutief?

a)

als het verzwegen ow van de bijzin niet hetzelfde is als het ow van de hoofdzin

b)

als het verzwegen ow van de hoofdzin niet hetzelfde is als het ow van de bijzin

c)

als de onderwerpen van beide zinnen hetzelfde zijn

d)

wut?

18.

Wat is de eerste stap om een beknopte bijzin te beoordelen?

a)

het verzwegen ow van de bijzin bepalen

b)

het ow van de hoofdzin bepalen

c)

'goed' of 'fout' neerzetten

19.

Wat is de tweede stap om een beknopte bijzin te bepalen?

a)

het ow van de hoofdzin bepalen

b)

het verzwegen ow van de bijzin bepalen

c)

'goed' of 'fout' noteren

20.

Goed of fout? 'Belletje trekkend kwam de politie achter de jongetjes aan.'

a)

goed (onderwerpen zijn gelijk)

b)

fout (onderwerpen zijn niet gelijk)