wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Diagnostische toets Nieren

Total questions: 10

Worksheet time: 24mins

Name
Class
Date
1.

Waar in een nefron vindt filtratie plaats?

a)

In de proximale tubulus

b)

In de distale tubulus

c)

In het kapsel van Bowman

d)

In de lis van Henle

2.

Wat is GEEN normale component in het FILTRAAT dat uit het kapsel van Bowman komt?

a)

Zouten

b)

Ureum

c)

Glucose

d)

Eiwitten

3.

Bij dieren die heel goed zijn in het in het behouden van water verwacht je nefrons met ...

a)

een extra lange lis van Henle

b)

een extra korte lis van Henle

c)

een extra lange proximale tubulus

d)

een extra lange verzamelbuis

4.

Welke TWEE stoffen hebben een steeds hogere concentratie naarmate je dieper in het niermerg (de medulla) 'kijkt'?

a)

Ureum

b)

NaCl

c)

KCl

d)

HCO3-

e)

H+

5.

Het medicijn furosemide blokkeert het transport van NaCl vanuit het stijgende deel van de lis van Henle. Wat is het verwachte effect van dit medicijn op het urinevolume?

a)

Het urinevolume neemt toe

b)

Het urinevolume neemt af

c)

Het urinevolume blijft gelijk

6.

Vink de TWEE belangrijke functies van de distale tubulus aan.

a)

Water-resorptie

b)

Regulatie van de Na+/K+-huishouding

c)

Regulatie van de pH

d)

Secretie van afvalstoffen uit de lever

7.

Wat wordt veroorzaakt door koppeling van ADH aan bepaalde receptoren?

a)

Aquaporines worden geactiveerd met als resultaat H2O-resorptie

b)

Aquaporines worden gedeactiveerd met als resultaat H2O-resorptie

c)

Aquaporines worden geactiveerd met als resultaat H2O-uitscheiding

d)

Aquaporines worden gedeactiveerd met als resultaat H2O-uitscheiding

8.

_______ zorgt voor meer aquaporines in de verzamelbuizen en wordt aangemaakt in _______.

a)

ADH / de achterkwab van de hypofyse

b)

Aldosteron / het niermerg

c)

Renine / de bijnier

d)

Aldosteron / de nierschors

e)

ADH / de bijnier

9.

Wanneer is er de MEESTE reabsorptie van water in de nieren?

a)

Als er GEEN ADH en GEEN aldosteron in het bloed is

b)

Als er WEL ADH en WEL aldosteron in het bloed is

c)

Als er WEL ADH en GEEN aldosteron in het bloed is

d)

Als er GEEN ADH en WEL aldesteron in het bloed is

10.

Vink alle effecten aan van VERHOOGDE bloedosmolariteit.

a)

Dorst

b)

Verhoogde permeabiliteit van de verzamelbuis voor water

c)

Meer ADH in de bloedbaan

d)

Minder urine