wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Taalweb 2: thema 7 en 8

Total questions: 55

Worksheet time: 28mins

Name
Class
Date
1.

Wat is het zelfstandig naamwoord in de zin?

De hond eet veel te veel.

a)

veel

b)

de

c)

hond

d)

te

2.

Wat is het zelfstandig naamwoord in de zin?

De wilde rat valt snel aan.

a)

wilde

b)

rat

c)

snel

d)

valt

3.

Wat is het zelfstandig naamwoord in de zin?

's Avonds leest mijn moeder me voor.

a)

leest

b)

mijn

c)

voor

d)

moeder

4.

Wat is het zelfstandig naamwoord in de zin?

Nina en Lotte lezen veel leuke boeken.

a)

Nina

b)

Lotte

c)

boeken

d)

lezen

5.

Wat is het zelfstandig naamwoord in de zin?

Ik koop een bal.

a)

ik

b)

koop

c)

een

d)

bal

6.

Wat is het zelfstandig naamwoord in de zin?

Hij koopt die auto.

a)

hij

b)

koopt

c)

die

d)

auto

7.

Wat is het zelfstandig naamwoord in de zin?

De muis ontsnapt.

a)

de

b)

muis

c)

ontsnapt

8.

Wat is het zelfstandig naamwoord in de zin?

Ze ligt in haar bed.

a)

Ze

b)

ligt

c)

haar

d)

bed

9.

Wat is het zelfstandig naamwoord in de zin?

De lucht is erg mooi.

a)

de

b)

lucht

c)

is

d)

mooi

10.

Wat is het zelfstandig naamwoord in de zin?

Mijn telefoon is nieuw.

a)

mijn

b)

telefoon

c)

is

d)

nieuw

11.

Wat is het zelfstandig naamwoord in de zin?

Zijn oma is jarig.

a)

zijn

b)

oma

c)

is

d)

jarig

12.

Wat is het zelfstandig naamwoord in de zin?

Wil je nog een drankje?

a)

wil

b)

je

c)

nog

d)

drankje

13.

Klik op de juiste schrijfwijze.

a)

landbouwer

b)

landbauwer

14.

Klik op de juiste schrijfwijze.

a)

resept

b)

recept

15.

Klik op de juiste schrijfwijze.

a)

familie

b)

famillie

16.

Klik op de juiste schrijfwijze.

a)

pedicure

b)

pedikure

17.

Klik op de juiste schrijfwijze.

a)

bibliotheek

b)

biblioteek

18.

Klik op de juiste schrijfwijze.

a)

chow

b)

show

c)

sjow

19.

Welk woord past bij deze omschrijving?

duidelijk maken wat je denkt of voelt

a)

uiten

b)

uiteenlopend

c)

bevallen

d)

inhouden

20.

Welk woord past bij deze omschrijving?

minder worden

a)

aanspreken

b)

afnemen

c)

stimuleren

d)

uitoefenen

21.

Welk woord past bij deze omschrijving?

motiveren

a)

inhouden

b)

stimuleren

c)

bovendien

d)

allerlei

22.

Welk woord past bij deze omschrijving?

daarnaast, ook

a)

bovendien

b)

aanstekelijk

c)

uiteenlopend

d)

allerlei

23.

Welke betekenis past bij deze uitdrukking?

tegen de lamp lopen

a)

betrapt worden

b)

de aandacht trekken

c)

iets verzinnen

d)

veel geld geven

24.

Welke uitdrukking past bij deze betekenis?

heel gelukkig, blij zijn

a)

een blik werpen

b)

de bons geven

c)

in de wolken zijn

d)

in de put zitten

25.

Welke betekenis past bij deze uitdrukking?

met de deur in huis vallen

a)

iemand aanmoedigen

b)

direct over iets praten

c)

niet meer weten, vergeten

d)

veel geld uitgeven

26.

Welke betekenis past bij deze uitdrukking?

een gat in zijn hand hebben

a)

ontslagen

b)

van zich afbijten

c)

iemand aanmoedigen

d)

veel geld uitgeven

27.

Is het letterlijk of figuurlijk bedoeld?

De inbreker liep tegen de lamp, hij stootte zijn hoofd en bloedde.

a)

letterlijk

b)

figuurlijk

28.

Is het letterlijk of figuurlijk bedoeld?

De baas was niet tevreden over zijn werk, dus hij gaf hem de bons.

a)

letterlijk

b)

figuurlijk

29.

Is het letterlijk of figuurlijk bedoeld?

Het model stal de show met haar gloednieuwe jurk.

a)

letterlijk

b)

figuurlijk

30.

Vervang het onderstreepte woord door hij, zij of het.

De acteur, ... won een oscar.

a)

hij

b)

zij

c)

het

31.

Vervang het onderstreepte woord door hij, zij of het.

Het glas, ... viel op de grond.

a)

hij

b)

zij

c)

het

32.

Vervang het onderstreepte woord door hij, zij of het.

De kapster, ... stak mijn haar op.

a)

hij

b)

zij

c)

het

33.

Vervang het onderstreepte woord door hij, zij of het.

Het tafeltje, ... stond in de slaapkamer.

a)

hij

b)

zij

c)

het

34.

Is het een de-woord of het-woord?

school

a)

de

b)

het

35.

Is het een de-woord of het-woord?

kinderen

a)

de

b)

het

36.

Is het een de-woord of het-woord?

geheim

a)

de

b)

het

37.

Is het een de-woord of het-woord?

beroep

a)

de

b)

het

38.

Vervang het onderstreepte woord door hij, zij of het.

De lerares, zij gaf me extra oefeningen.

a)

hij

b)

zij

c)

het

39.

Vervang het onderstreepte woord door hij, zij of het.

Het gordijn, ... is dicht.

a)

hij

b)

zij

c)

het

40.

Vervang het onderstreepte woord door hij, zij of het.

De tuinman, ... snoeit de bomen.

a)

hij

b)

zij

c)

het

41.

Vervang het onderstreepte woord door hij, zij of het.

De schrijver, ... brengt maandag zijn nieuwste boek uit.

a)

hij

b)

zij

c)

het

42.

Bekijk de omschrijving in het woordenboek. Vervang het onderstreepte woord door hij, zij of het.

De hond zat de hele dag alleen.

a)

hij

b)

zij

c)

het

43.

Bekijk de omschrijving in het woordenboek. Vervang het onderstreepte woord door hij, zij of het.

Het dier sliep.

a)

hij

b)

zij

c)

het

44.

Bekijk de omschrijving in het woordenboek. Vervang het onderstreepte woord door hij, zij of het.

De auto is nieuw.

a)

hij

b)

zij

c)

het

45.

Bekijk de omschrijving in het woordenboek. Is het woord mannelijk, vrouwelijk of onzijdig?

a)

mannelijk

b)

vrouwelijk

c)

onzijdig

46.

Bekijk de omschrijving in het woordenboek. Is het woord mannelijk, vrouwelijk of onzijdig?

a)

mannelijk

b)

vrouwelijk

c)

onzijdig

47.

Bekijk de omschrijving in het woordenboek. Vervang het onderstreepte woord door hij, zij of het.

De gemeente wil toeristen lokken.

a)

hij

b)

zij

c)

het

48.

Is het onderstreepte woord een zelfstandig naamwoord?

De jas hangt aan de kapstok.

a)

ja

b)

nee

49.

Is het onderstreepte woord een zelfstandig naamwoord?

De sportdag was vermoeiend.

a)

ja

b)

nee

50.

Is het onderstreepte woord een zelfstandig naamwoord?

De ziekte brak snel uit.

a)

ja

b)

nee

51.

Welk tekstdoel hoort bij deze tekst?

a)

informeren

b)

overtuigen

c)

amuseren

d)

ontroeren

52.

Welk tekstdoel hoort bij deze tekst?

a)

informeren

b)

overtuigen

c)

amuseren

d)

ontroeren

53.

Welk tekstdoel hoort bij deze tekst?

a)

informeren

b)

overtuigen

c)

amuseren

d)

ontroeren

54.

Welk tekstdoel hoort bij deze tekst?

a)

informeren

b)

overtuigen

c)

amuseren

d)

ontroeren

55.

Welk tekstdoel hoort bij deze tekst?

a)

informeren

b)

overtuigen

c)

amuseren

d)

ontroeren