wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

OKAN Rood - Spreektaal - Wonen - 3. Een nieuw huis

Total questions: 15

Worksheet time: 30mins

Name
Class
Date
1.

Hallo buurvrouw!

a)

Tot ziens!

b)

Daag!

c)

Tot volgende week!

d)

Dag buurman!

2.

Hoe gaat het?

a)

Prima! En met uw kinderen?

b)

Ik heet mevrouw Koc.

c)

Ik heet meneer Lucas.

d)

Hij gaat met de fiets.

3.

Waar gaan jullie naartoe?

a)

Wij gaan met onze kinderen.

b)

We gaan verhuizen naar de Kerkstraat.

c)

Wij gaan met de auto.

d)

Wij verhuizen volgende maand.

4.

Waarom gaan jullie verhuizen?

a)

Ons huis is te klein.

b)

We gaan verhuizen naar de Kerkstraat.

c)

We gaan volgende week maandag verhuizen.

d)

We gaan ons huis missen.

5.

Moet u veel opknappen in uw nieuw huis?

a)

Ons nieuw huis ligt in de Kerkstraat.

b)

Neen, alles is perfect in orde.

c)

Alles is oud.

d)

Alles is nieuw.

6.

Wanneer gaan jullie verhuizen?

a)

Mijn familie gaat me helpen met de verhuis.

b)

Ons huis is te groot.

c)

We gaan volgende maand verhuizen.

d)

We gaan naar de Kerkstraat verhuizen.

7.

Ik ga u missen.

a)

Ik u ook.

b)

Alles goed?

c)

Prima!

d)

Geweldig!

8.

Welke zin past bij de tekening?

a)

Ze gaan nieuwe meubels kopen.

b)

Ze gaan verhuizen.

c)

Ze gaan op reis.

d)

Ze gaan op vakantie.

9.

Welke zin past bij de foto?

a)

Ze wonen in een éénsgezinswoning.

b)

Ze wonen in een rijhuis.

c)

Ze wonen in een villa.

d)

Ze wonen in een flat.

10.

Welke zin past bij de foto?

a)

Ze wonen in een éénsgezinswoning.

b)

Ze wonen in een appartement.

c)

Ze wonen in een villa.

d)

Ze wonen in een flat.

11.

Welke zin past bij de foto?

a)

Ze schildert de muur in het paars.

b)

Ze schildert de muur in het wit.

c)

Ze boort een gat in de muur.

d)

Ze klopt een nagel in de plank.

12.

Welke zin past bij de foto?

a)

Hij schildert de muur in het rood.

b)

Hij schildert de muur in het wit.

c)

Hij boort een gat in de muur.

d)

Hij klopt een nagel in de plank.

13.

Welke zin past bij de foto?

a)

Zij klopt een nagel in de muur.

b)

Zij klopt een nagel in de plank.

c)

Hij boort een gat in de muur.

d)

Hij klopt een nagel in de plank.

14.

Welk kaartje is dat?

a)

Een geboortekaartje van 2 baby's.

b)

Een kaartje voor een trouw.

c)

Een kaartje voor een nieuw huis.

d)

Een kaartje voor een verjaardag.

15.

Wat gaan Hans en Sophie doen?

a)

Ze gaan trouwen.

b)

Ze gaan verhuizen.

c)

Ze gaan een huis bouwen.

d)

Ze gaan een baby adopteren.