wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Grammatica #2

Total questions: 28

Worksheet time: 1hrs 24mins

Name
Class
Date
1.

Wat is het gekleurde deel van de zin?


Mijn broer is vegetariër geworden.

a)

Persoonsvorm

b)

Hulpwerkwoord

c)

Werkwoordelijk gezegde

d)

Voltooid deelwoord

2.

Wat is het gekleurde deel van de zin?


Geen enkel dier mag nog voor zijn voedsel sterven.

a)

Persoonsvorm

b)

Onderwerp

c)

Werkwoordelijk gezegde

d)

Lijdend voorwerp

3.

Wat is het gekleurde deel van de zin?


Hij wil iedereen hiervan overtuigen.

a)

Persoonsvorm

b)

Onderwerp

c)

Werkwoordelijk gezegde

d)

Lijdend voorwerp

4.

Wat is het gekleurde deel van de zin?


Ik heb het gehad met al zijn ideeën.

a)

Zelfstandig naamwoord

b)

Lidwoord

c)

Voegwoord

d)

Bijvoeglijk naamwoord

5.

Wat is het gekleurde deel van de zin?


Laat mij maar een omnivoor zijn.

a)

Zelfstandig naamwoord

b)

Persoonlijk voornaamwoord

c)

Voegwoord

d)

lidwoord

6.

Wat is het werkwoordelijk gezegde?


Ik wil wel graag biologisch voedsel eten.

a)

Ik wil

b)

Wil wel graag

c)

Wil eten

d)

Wil graag eten

7.

Wat is het gekleurde deel van de zin?


Ik wil wel graag biologisch voedsel eten.

a)

Bijvoeglijk naamwoord

b)

Zelfstandig naamwoord

c)

Voorzetsel

d)

Werkwoord

8.

Wat is het voorzetsel in de zin?


Volgende week gaan wij op skivakantie.

a)

op

b)

wij

c)

week

d)

vakantie

9.

Wat is het gekleurde deel van de zin?


Ik wil minstens vier skilessen nemen.

a)

rangtelwoord

b)

telwoord

c)

onbepaald telwoord

d)

onbepaald rangtelwoord

10.

Wat is het gekleurde deel van de zin?


Graag zou ik op de lange latten leren staan.

a)

stoffelijk bijvoeglijk naamwoord

b)

zelfstandig naamwoord

c)

werkwoord

d)

bijvoeglijk naamwoord

11.

Wat is het onderwerp in de zin?


Mijn broer kan erg goed snowboarden.

a)

Mijn

b)

Broer

c)

Mijn broer

d)

Kan

12.

Wat is het onderwerp?


Ik zie hem graag van de berg suizen.

a)

Ik

b)

Hem

c)

Berg

d)

Zie suizen

13.

Wat is het voorzetsel in de zin?


Wat heb ik een zin in de vakantie!

a)

Ik

b)

Heb

c)

In

d)

De

14.

Wat zijn de zelfstandig naamwoorden in de zin?


Vroeg in de lente zie je knoppen aan de takken.

a)

lente - knoppen

b)

lente

c)

de lente - knoppen - de takken

d)

lente - knoppen - takken

15.

Wat is het lijdend voorwerp in de zin?


Overal gaan dan mooie bloemen bloeien.

a)

Dan mooie bloemen

b)

Bloemen

c)

Mooie bloemen

d)

Dan

16.

Wat is het gekleurde woord in de zin?


Dat wordt ook wel hooikoorts genoemd.

a)

hulpwerkwoord

b)

werkwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

voltooid deelwoord

17.

Hoeveel lidwoorden staan in de zin?


In Denemarken staat een enorme legofabriek.

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

18.

Wat is de persoonsvorm?


Lego is al tijden heel populair speelgoed.

a)

Tijden

b)

Is

c)

Populair

d)

Lego

19.

Wat is het werkwoordelijk gezegde?


De makers blijven steeds nieuwe dingen bedenken.

a)

Blijven

b)

Blijven steeds

c)

Blijven bedenken

d)

Blijven steeds bedenken

20.

In welke zin staan de aanhalingstekens op de goede plaats?

a)

'Ik wil graag bij Roy logeren zeg ik', tegen mama.

b)

'Ik wil graag bij Roy logeren', zeg ik tegen mama.

c)

'Ik wil graag bij Roy', logeren zeg ik tegen mama

d)

'Ik wil graag bij Roy logeren zeg ik tegen', mama

21.

Wat is het lijdend voorwerp?


Zouden de jongens een lange strandwandeling willen maken?

(a)  

22.

Wat is het werkwoordelijk gezegde?


Wat wilde oom Thies vanochtend alsnog aan je moeder geven?

(a)  

23.

Wat is het onderwerp?


Een zak friet zal door mijn neef nooit gegeten worden.

(a)  

24.

Wat is de bepaling van tijd?


Dit bedrag zal nooit aan de kinderen overgemaakt kunnen worden.

(a)  

25.

Wat is de bepaling van tijd?


Het dure horloge is door Maarten verloren tijdens de avondvierdaagse.

(a)  

26.

Wat is het lijdend voorwerp?


De dief heeft de auto van mijn zus zeker aan zijn vriend verkocht.

(a)  

27.

Wat is het onderwerp?


Die oude vrouw zou alsnog een nieuwe woning kunnen krijgen.

(a)  

28.

Wat is het lijdend voorwerp?


In 2005 wilden mijn ouders mijn jongste zus naar Parijs brengen.

(a)