wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

H4 oefenen 1AB

Total questions: 66

Worksheet time: 33mins

Name
Class
Date
1.

Wat doe je als je een tekst zoekend leest?

a)

Je bekijkt de tekst en afbeelding

b)

Je leest de titels, tussenkopjes en andere opvallende woorden/tekens

c)

Je leest de eerste en laatste zin van alle alinea's

d)

Je leest de tekst van het begin tot aan het eind goed door.

2.

In het bos zoeken we naar ... van verschillende dieren.

a)

delicten

b)

details

c)

locatie

d)

sporen

3.

De .... sluipt door het huis om niet ontdekt te worden.

a)

delicten

b)

laboratorium

c)

locatie

d)

crimineel

4.

De onderzoeker heeft na een lange werkdag een zooitje gemaakt van zijn ...

a)

delicten

b)

laboratorium

c)

locatie

d)

crimineel

5.

De school heeft meerdere ... in verschillende dorpen.

a)

details

b)

locaties

c)

criminelen

d)

forensisch onderzoekers

6.

In grote steden zijn vaak ... bendes actief.

a)

crimineel

b)

criminele

7.

De artiesten zijn heel erg verschillend, ze zijn niet te ...

a)

vergelijkbaar

b)

vergelijken

8.

Het duurde lang voor de agent had ... wie het misdrijf begaan had.

a)

uitvissen

b)

uitgevist

9.

In korte tijd zijn er meerdere ... gepleegd.

a)

misdrijven

b)

misdrijf

10.

Wat is de tegenstelling: logisch

a)

met slechte argumenten

b)

blijven staan

c)

slecht

d)

doen en laten

11.

Wat is de tegenstelling: 'm smeren

a)

met slechte argumenten

b)

blijven staan

c)

slecht

d)

doen en laten

12.

Wat is de tegenstelling: perfect

a)

met slechte argumenten

b)

blijven staan

c)

slecht

d)

doen en laten

13.

Een beknopte uitleg

a)

kort, niet uitgebreid

b)

gevorderd, geen beginneling

c)

verschillen, uiteenlopen

d)

lang, veel informatie

14.

Een geoefende sporter

a)

kort, niet uitgebreid

b)

gevorderd, geen beginneling

c)

verschillen, uiteenlopen

d)

lang, veel informatie

15.

Ze variëren van mening

a)

kort, niet uitgebreid

b)

gevorderd, geen beginneling

c)

verschillen, uiteenlopen

d)

lang, veel informatie

16.

persoonsvorm: Die rode jurk deed Melissa aan naar het gala.

a)

deed

b)

Melissa

c)

deed aan

d)

Die rode juk

17.

onderwerp: Die rode jurk deed Melissa aan naar het gala.

a)

deed

b)

Melissa

c)

deed aan

d)

Die rode juk

18.

gezegde: Die rode jurk deed Melissa aan naar het gala.

a)

deed

b)

Melissa

c)

deed aan

d)

Die rode juk

19.

pv: Kan je mij de weg wijzen naar Winterswijk?

a)

kan

b)

je

c)

kan wijzen

d)

Winterswijk

20.

onderwerp: Kan je mij de weg wijzen naar Winterswijk?

a)

kan

b)

je

c)

kan wijzen

d)

Winterswijk

21.

gezegde: Kan je mij de weg wijzen naar Winterswijk?

a)

kan

b)

je

c)

kan wijzen

d)

Winterswijk

22.

Welke woorden zijn bijvoegelijk?

a)

slapen, fietsen, hardlopen

b)

lage, gevaarlijke, mooie

c)

tafel, stoelen, kantine

23.

lidwoorden: Ninke oefent altijd eerst de moeilijke begrippen.

a)

de

b)

Ninke, begrippen

c)

oefent

d)

moeilijke

24.

zelfstandige naamwoorden: Ninke oefent altijd eerst de moeilijke begrippen.

a)

de

b)

Ninke, begrippen

c)

oefent

d)

moeilijke

25.

werkwoorden: Ninke oefent altijd eerst de moeilijke begrippen.

a)

de

b)

Ninke, begrippen

c)

oefent

d)

moeilijke

26.

bijvoegelijke naamwoorden: Ninke oefent altijd eerst de moeilijke begrippen.

a)

de

b)

Ninke, begrippen

c)

oefent

d)

moeilijke

27.

Wat zijn stoffelijke bijvoegelijke naamwoorden?

a)

Wit, zacht, scherp

b)

mooie, nieuwe, vieze

c)

koperen, wollen, linnen

28.

De leerling is heel ...

a)

creatief

b)

creatieve

c)

creatiefe

d)

creatiev

29.

De leerling heeft hele ... ideeën.

a)

creatief

b)

creatieve

c)

creatiefe

d)

creatiev

30.

Het ... standbeeld is een erfstuk van mijn oma.

a)

koper

b)

koperen

c)

kooper

d)

kooperen

31.

Het standbeeld dat ik geërfd heb is van

a)

koper

b)

koperen

c)

kooper

d)

kooperen

32.

Het a..regaat zorgt voor energie als de stroom uitvalt.

a)

gg

b)

tt

c)

c

d)

k

33.

Een achtbaan is de leukste a..ractie van een pretpark.

a)

gg

b)

tt

c)

c

d)

k

34.

Deze .ategorie boeken vind ik het leukst.

a)

gg

b)

tt

c)

c

d)

k

35.

Is de auto ...?

a)

verzekert

b)

verzekerd

36.

De leerling heeft te lang over het antwoord ...

a)

getwijfeld

b)

getwijfelt

37.

Die ... jongen gelooft alles wat zijn broer hem vertelt.

a)

delict

b)

aangifte doen

c)

interne

d)

naïeve

38.

Als je fiets gestolen wordt moet je ...

a)

delict

b)

aangifte doen

c)

interne

d)

naïeve

39.

De politie was snel ter plaatste op de plaats van het ...

a)

delict

b)

aangifte doen

c)

interne

d)

naïeve

40.

Uit de ... controle blijkt dat een medewerker veel geld heeft gestolen.

a)

delict

b)

aangifte doen

c)

interne

d)

naïeve

41.

tegenstelling: bespreekbaar

a)

onbespreekbaar

b)

mislukken

c)

demotiveren

d)

aandacht geven

e)

af en toe, tijdelijk

42.

tegenstelling: lukken

a)

onbespreekbaar

b)

mislukken

c)

demotiveren

d)

aandacht geven

e)

af en toe, tijdelijk

43.

tegenstelling: motiveren

a)

onbespreekbaar

b)

mislukken

c)

demotiveren

d)

aandacht geven

e)

af en toe, tijdelijk

44.

tegenstelling: negeren

a)

onbespreekbaar

b)

mislukken

c)

demotiveren

d)

aandacht geven

e)

af en toe, tijdelijk

45.

tegenstelling: permanent

a)

onbespreekbaar

b)

mislukken

c)

demotiveren

d)

aandacht geven

e)

af en toe, tijdelijk

46.

pv: Mijn zus stuurt onze moeder een berichtje.

a)

stuurt

b)

Mijn zus

c)

een berichtje

d)

onze moeder

47.

onderwerp: Mijn zus stuurt onze moeder een berichtje.

a)

stuurt

b)

Mijn zus

c)

een berichtje

d)

onze moeder

48.

werkwoordelijk gezegde: Mijn zus stuurt onze moeder een berichtje.

a)

stuurt

b)

Mijn zus

c)

een berichtje

d)

onze moeder

49.

lijdend voorwerp: Mijn zus stuurt onze moeder een berichtje.

a)

stuurt

b)

Mijn zus

c)

een berichtje

d)

onze moeder

50.

pv: Met de waardebon kun je bij dat fastfood restaurant goedkoop een hamburger krijgen.

a)

kun

b)

je

c)

kun krijgen

d)

een hamburger

51.

ow: Met de waardebon kun je bij dat fastfood restaurant goedkoop een hamburger krijgen.

a)

kun

b)

je

c)

kun krijgen

d)

een hamburger

52.

wg: Met de waardebon kun je bij dat fastfood restaurant goedkoop een hamburger krijgen.

a)

kun

b)

je

c)

kun krijgen

d)

een hamburger

53.

lv: Met de waardebon kun je bij dat fastfood restaurant goedkoop een hamburger krijgen.

a)

kun

b)

je

c)

kun krijgen

d)

een hamburger

54.

Iedere maand maak je kans op mooie prijzen bij de loterij.

a)

zelfstandig naamwoord

b)

bijvoegelijk naamwoord

c)

werwoord

d)

aanwijzend voornaamwoord

e)

vragend voornaamwoord

55.

Iedere maand maak je kans op mooie prijzen bij de loterij.

a)

zelfstandig naamwoord

b)

bijvoegelijk naamwoord

c)

werwoord

d)

aanwijzend voornaamwoord

e)

vragend voornaamwoord

56.

Iedere maand maak je kans op mooie prijzen bij de loterij.

a)

zelfstandig naamwoord

b)

bijvoegelijk naamwoord

c)

werwoord

d)

aanwijzend voornaamwoord

e)

vragend voornaamwoord

57.

Welke prijzen kun je winnen bij die loterij?

a)

zelfstandig naamwoord

b)

bijvoegelijk naamwoord

c)

werwoord

d)

aanwijzend voornaamwoord

e)

vragend voornaamwoord

58.

Welke prijzen kun je winnen bij die loterij?

a)

zelfstandig naamwoord

b)

bijvoegelijk naamwoord

c)

werkwoord

d)

aanwijzend voornaamwoord

e)

vragend voornaamwoord

59.

Welke prijzen kun je winnen bij die loterij?

a)

zelfstandig naamwoord

b)

bijvoegelijk naamwoord

c)

werkwoord

d)

aanwijzend voornaamwoord

e)

vragend voornaamwoord

60.

Je kunt een jaarkaart winnen voor dat gave pretpark.

a)

zelfstandig naamwoord

b)

bijvoegelijk naamwoord

c)

werkwoord

d)

aanwijzend voornaamwoord

e)

vragend voornaamwoord

61.

Je kunt een jaarkaart winnen voor dat gave pretpark.

a)

zelfstandig naamwoord

b)

bijvoegelijk naamwoord

c)

werkwoord

d)

aanwijzend voornaamwoord

e)

vragend voornaamwoord

62.

Je kunt een jaarkaart winnen voor dat gave pretpark.

a)

zelfstandig naamwoord

b)

bijvoegelijk naamwoord

c)

werkwoord

d)

aanwijzend voornaamwoord

e)

vragend voornaamwoord

63.

Je kunt een jaarkaart winnen voor dat gave pretpark.

a)

zelfstandig naamwoord

b)

bijvoegelijk naamwoord

c)

werkwoord

d)

aanwijzend voornaamwoord

e)

vragend voornaamwoord

64.

Welke zin heeft een voltooid deelwoord?

a)

Sommige mensen spreken gebarentaal

b)

Door doventolken worden sommige programma's vertaald

c)

Door te oefenen kun jij dit ook leren.

65.

Maak een voltooid deelwoord van: slagen

a)

geslaagd

b)

geslaagt

c)

geslagen

d)

geslaagen

66.

Maak een voltooid deelwoord van: plaatsen

a)

geplaatst

b)

geplaatsd

c)

verplaatsen

d)

verplatsen