Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Eco Examenoefeningen

Total questions: 29

Worksheet time: 56mins

Name
Class
Date
1.

Barbara van Nistelrode heeft aan de rand van Tilburg een grote modewinkel met diverse extra’s geopend. Zo schenkt zij koffie en heeft zij een verkooppunt voor belegde broodjes. Op deze extra investeringen moeten ook afschrijvingen plaatsvinden. Wat wordt verstaan onder afschrijvingen?

a)

de kosten die je maakt omdat productiemiddelen meer waard worden

b)

de kosten van de aanschaf van productiemiddelen

c)

de waardevermindering van de productiemiddelen, in mindering

gebracht op de brutowinst

d)

de waarde van de productiemiddelen als ze in de uitverkoop verkocht worden

2.

Barbara is bezig met het vaststellen van de prijzen in de nieuwe winkel. Zij hanteert een brutowinstmarge van 140% op de inkoopprijs voor de broeken die zij verkoopt. Momenteel verkoopt zij broeken met een inkoopprijs van

€ 35 excl btw.

Bereken in twee decimalen de consumentenprijs van deze broeken als zij rekening houdt met een btw-percentage van 21%.

a)

€ 102,63

b)

€ 102,64

c)

€ 101,64

d)

€ 101,63

3.

Als het lukt om meer jongeren in Nederland aan betaald werk te helpen, heeft dit invloed op de verhouding niet-actieven en actieven (de i/a-ratio) en daarmee op de betaalbaarheid van de sociale zekerheid in Nederland.

De i/a-ratio wordt berekend door het aantal niet-actieven te delen door het aantal actieven.

Maak van onderstaande zinnen een economisch juiste tekst door de twee juiste woorden te kiezen.

Door de groei van het aantal jongeren met betaald werk wordt de i/a-ratio ...(1)… (hoger / lager). Hierdoor …(2)… (daalt / stijgt) de betaalbaarheid van de sociale zekerheid in Nederland.

a)

(1) lager

b)

(1) stijgt

c)

(2) lager

d)

(2) stijgt

4.

Vroeger werd een ouderwetse, op kolen gestookte, oven gebruikt. De kolen geven metalen af die een mooi effect hebben op de stenen. “Helaas kan ik deze kolenoven niet meer gebruiken, want deze levert me te weinig winst op”, zegt Derck.

Wat betekent in dit verband “levert me te weinig winst op”?

a)

De bakstenen uit de kolenoven zijn van inferieure kwaliteit.

b)

De kolenoven is onvoldoende duurzaam.

c)

De kolenoven zorgt alleen maar voor opbrengsten.

d)

De opbrengst van de kolenoven is te laag ten opzichte van de kosten.

5.

Hieronder staan drie economische verschijnselen.

1 Er is weinig technologische ontwikkeling in het land.

2 Het nationaal inkomen in een land is laag.

3 Kinderen volgen geen onderwijs.

In welke regel staan deze verschijnselen zó dat een logische

gedachtegang ontstaat?

a)

A kinderarbeid  1  2  3  kinderarbeid

b)

kinderarbeid  1  3  2  kinderarbeid

c)

kinderarbeid  2  1  3  kinderarbeid

d)

kinderarbeid  2  3  1  kinderarbeid

e)

kinderarbeid  3  1  2  kinderarbeid

6.

1 herverdeling primaire inkomens

2 toename bestedingen bij lage inkomens

3 toename koopkracht bij lage inkomens

4 toename werkgelegenheid

5 daling aantal sociale uitkeringen

In welke regel staan deze verschijnselen zo dat een logische

gedachtegang ontstaat?

a)

1  2  3  4  5

b)

1  2  4  3  5

c)

1  3  2  4  5

d)

1  3  4  2  5

e)

1  4  2  3  5

7.

Frits: ”Volgens mij kan het hoge aantal inactieven ook leiden tot nog meer werkloosheid.” Welke van onderstaande antwoorden is economisch helemaal juist


Door het hoge aantal inactieven moet de groep actieven een …(1)...

(hogere / lagere) premie voor de sociale zekerheid betalen. Daardoor

…(2)… (daalt / stijgt) het besteedbaar inkomen van de actieven.

Vervolgens kan dit leiden tot ...(3)… (meer / minder) productie en

uiteindelijk tot …(4)… (meer / minder) werkloosheid.

a)

Door het hoge aantal inactieven moet de groep actieven een

hogere premie voor de sociale zekerheid betalen. Daardoor

daalt het besteedbaar inkomen van de actieven.

Vervolgens kan dit leiden tot meer productie en

uiteindelijk tot meer werkloosheid.

b)

Door het hoge aantal inactieven moet de groep actieven een lagere premie voor de sociale zekerheid betalen. Daardoor

daalt het besteedbaar inkomen van de actieven.

Vervolgens kan dit leiden tot meer productie en

uiteindelijk tot minder werkloosheid.

c)

Door het hoge aantal inactieven moet de groep actieven een hogere premie voor de sociale zekerheid betalen. Daardoor

daalt het besteedbaar inkomen van de actieven.

Vervolgens kan dit leiden tot minder productie en

uiteindelijk tot meer werkloosheid.

d)

Door het hoge aantal inactieven moet de groep actieven een lagere premie voor de sociale zekerheid betalen. Daardoor

daalt het besteedbaar inkomen van de actieven.

Vervolgens kan dit leiden tot meer productie en

uiteindelijk tot meer werkloosheid.

8.

Noor heeft € 7.500 geleend van haar bank. Na drie jaar moet ze € 9.000 terugbetalen aan de bank.

Waarom moet ze € 1.500 meer terugbetalen aan de bank?

a)

vanwege administratieve kosten en te betalen rente

b)

vanwege administratieve kosten en te ontvangen rente

c)

vanwege aflossing en administratieve kosten

d)

vanwege aflossing en rente

9.

In Groningen ligt attractiepark De Boskabouter. Het

is een park waar veel gezinnen komen voor een

gezellig dagje uit. Het park heeft een speeltuin, een

kinderboerderij en een snackrestaurant. 15 jaar geleden begon Berend Botje met het park. Het eerste jaar

was er alleen een speeltuin en een verkooppunt voor ijsjes en drankjes. De omzet in het eerste jaar was € 75.000.

Welke omschrijving van het begrip omzet is juist?

a)

de opbrengst van de inkopen

b)

de opbrengst van de verkopen

c)

de winst na aftrek van de bedrijfskosten

d)

de winst voor aftrek van de bedrijfskosten

10.

Welk soort werkloosheid neemt toe door het gebruik van robots en waarom?

a)

conjuncturele werkloosheid, want het is een verandering aan de

aanbodkant van de economie

b)

conjuncturele werkloosheid, want het is een verandering aan de

vraagkant van de economie

c)

structurele werkloosheid, want het is een verandering aan de

aanbodkant van de economie

d)

structurele werkloosheid, want het is een verandering aan de

vraagkant van de economie

11.

Hieronder staan vijf economische verschijnselen:

1 Robots vervangen productiemedewerkers in Nederland.

2 De concurrentiepositie van Nederland verbetert.

3 De productiekosten dalen in Nederland.

4 De productie in Nederland groeit.

5 De vraag naar arbeid in Nederland neemt toe.

In welke regel staan de verschijnselen in een zodanige volgorde dat ze de gedachtegang van deze economen goed weergeven?

a)

1  2  3  4  5

b)

1  2  4  3  5

c)

1  3  2  4  5

d)

1  3  4  2  5

e)

1  4  2  3  5

12.

Banken bemiddelen tussen de vraag naar geld en het aanbod van geld. Welke onderstaande zin heeft een

economisch juiste tekst

a)

De banken betalen het lagere spaarrentepercentage

aan de spaarders en ontvangen het lagere

leenrentepercentage van de leners.

b)

De banken betalen het hogere spaarrentepercentage

aan de spaarders en ontvangen het hogere

leenrentepercentage van de leners.

c)

De banken betalen het hogere spaarrentepercentage

aan de spaarders en ontvangen het lagere

leenrentepercentage van de leners.

d)

De banken betalen het lagere spaarrentepercentage

aan de spaarders en ontvangen het hogere

leenrentepercentage van de leners.

13.

Het gezin Steen bestaat uit Jan, Jannie en twee kinderen. Het is chaos in huize Steen. Een radiator is kapot en het deurtje van de wasdroger is kromgetrokken. Jan belt de reparateur voor het repareren van de radiator. Na de reparatie

krijgt hij de rekening: € 203,00.

Onder welke uitgavensoort valt deze reparatie?

a)

dagelijkse uitgaven

b)

huishoudelijke uitgaven

c)

incidentele uitgaven

d)

vaste lasten

14.

Jan houdt drie weken lang de huishoudelijke uitgaven bij. In deze drie weken heeft het gezin € 605 aan huishoudelijke uitgaven besteed. Bereken in twee decimalen deze huishoudelijke uitgaven omgerekend per maand. (2 antw!)

a)

€ 873,90

b)

€ 873,89

c)

€ 874,90

d)

€ 874,89

15.

Jan heeft nog geen rekening gehouden met de reserveringen voor een andere auto. Zijn Peugeot 308 CC (cabriolet) heeft hij twee jaar geleden nieuw gekocht voor de aanschafprijs van € 37.500. Hij verwacht nu nog vijf jaar in de auto te rijden en hem dan te verkopen voor € 10.000. Hij wil dan een andere auto kopen waarvan de aanschafprijs € 20.000 is.

Hoeveel moet Jan per maand reserveren om over vijf jaar de andere auto te kunnen kopen?

a)

€ 119,05

b)

€ 166,67

c)

€ 333,34

d)

€ 458,34

16.

Lech is een achttienjarige jongen uit Polen. Hij denkt erover om in Nederland te gaan werken. Het feit dat Polen lid is van de Europese Unie (EU) maakt het voor Lech makkelijker in Nederland te gaan werken. Welke regeling (afspraak) binnen de EU maakt het voor Lech mogelijk dat hij gemakkelijk in Nederland kan gaan werken?

a)

Binnen de EU gelden dezelfde ontslagredenen.

b)

Binnen de EU geldt vrijheid van meningsuiting.

c)

Binnen de EU geldt een vrij verkeer van personen.

d)

Binnen de EU gelden dezelfde werkafspraken.

17.

Thea en Wibo zijn beiden miljonair en hebben beiden een topinkomen. Thea zegt dat zij best meer inkomstenbelasting wil betalen en vindt dat het tarief in de hoogste belastingschijf zou moeten stijgen.

Van welk belastingbeginsel is hier sprake?

a)

doelmatigheidsbeginsel

b)

draagkrachtbeginsel

c)

profijtbeginsel

18.

Glasco BV is vooral actief in Oost-Nederland. Volgens het bedrijf biedt glasvezel juist voor deze regio veel voordelen. Hier is namelijk sprake van een bevolkingskrimp, mede doordat werknemers naar het westen trekken, omdat daar meer werkgelegenheid is. Het snelle internet zou volgens de

directie van Glasco BV de bevolkingskrimp kunnen doen afnemen.

Hieronder staan drie economische verschijnselen.

1 minder reistijd

2 makkelijker thuiswerken

3 noodzaak van verhuizen is minder

Zet de verschijnselen in een zodanige volgorde dat ze een logische gedachtegang vormen.

a)

sneller internet → 1 → 2 → 3 → minder bevolkingskrimp

b)

sneller internet → 1 → 3 → 2 → minder bevolkingskrimp

c)

sneller internet → 2 → 1 → 3 → minder bevolkingskrimp

d)

sneller internet → 2 → 3 → 1 → minder bevolkingskrimp

e)

sneller internet → 3 → 1 → 2 → minder bevolkingskrimp

19.

Jan moet uitrekenen hoeveel het kost als hij met de auto naar zijn werk reist. Hij zet de kosten van zijn auto in een tabel.

gemiddelde jaarlijkse afschrijvingskosten € 1.500

gemiddelde jaarlijkse onderhoudskosten € 1.000

belasting en verzekering per jaar € 1.260

De auto rijdt 1:14 en de benzine kost € 1,68 per liter.

De enkele reisafstand van Den Haag naar Utrecht bedraagt 67 kilometer. Bereken in twee decimalen hoeveel het Jan gemiddeld per maand kost om met de auto naar zijn werk te reizen.

a)

€ 31,20

b)

€ 1.404

c)

€ 240

d)

€ 137

20.

Het gaat niet goed met de koffieboeren. Volgens een woordvoerder van de milieuorganisatie Greenpeace vormt de aanleg van nieuwe plantages niet alleen een milieuprobleem, maar is het ook één van de oorzaken van

de crisis bij de koffieboeren.

Hieronder staan drie verschijnselen.

1 groter aanbod van koffie

2 grotere productie van koffie

3 lagere prijzen van koffie

Zet de verschijnselen in een zodanige volgorde dat een logische gedachtegang ontstaat.

a)

nieuwe koffieplantages → 1 → 2 → 3 → crisis bij de koffieboeren

b)

nieuwe koffieplantages → 1 → 3 → 2 → crisis bij de koffieboeren

c)

nieuwe koffieplantages → 2 → 1 → 3 → crisis bij de koffieboeren

d)

nieuwe koffieplantages → 2 → 3 → 1 → crisis bij de koffieboeren

e)

nieuwe koffieplantages → 3 → 1 → 2 → crisis bij de koffieboeren

21.

Marieke zegt: “Als je een budgetplan maakt, moet je natuurlijk wel prioriteiten stellen!” Wat betekent dit?

a)

Je moet alleen geld uitgeven aan basisbehoeften.

b)

Je moet gaan bezuinigen op incidentele uitgaven.

c)

Je moet je behoeften in volgorde van belangrijkheid zetten.

d)

Je moet meer tijd nemen voor je boodschappen en op zoek gaan naar koopjes.

22.

Volgens haar economiedocent moet je, als je geldgebrek hebt, een aantal stappen nemen om je financiën weer op orde te krijgen. Hieronder staan drie stappen

1 Pas je uitgaven aan.

2 Maak een financieel overzicht over de afgelopen periode.

3 Vind je geldlek.

Zet de stappen in een zodanige volgorde dat ze een logische

gedachtegang vormen.

a)

geldgebrek → 1 → 2 → 3 → financiën weer op orde

b)

geldgebrek → 1 → 3 → 2 → financiën weer op orde

c)

geldgebrek → 2 → 1 → 3 → financiën weer op orde

d)

geldgebrek → 2 → 3 → 1 → financiën weer op orde

e)

geldgebrek → 3 → 1 → 2 → financiën weer op orde

23.

Het blijkt dat de meeste bedrijfjes die opgericht worden zich in de dienstensector bevinden.

Welk antwoord is geheel juist?

a)

In de dienstensector zijn de investeringen hoger dan in de

landbouwsector. Daardoor is het financieel risico in de dienstensector hoger dan in de landbouwsector.

b)

In de dienstensector zijn de investeringen hoger dan in de

landbouwsector. Daardoor is het financieel risico in de dienstensector lager dan in de landbouwsector.

c)

In de dienstensector zijn de investeringen lager dan in de

landbouwsector. Daardoor is het financieel risico in de dienstensector hoger dan in de landbouwsector.

d)

In de dienstensector zijn de investeringen lager dan in de

landbouwsector. Daardoor is het financieel risico in de dienstensector lager dan in de landbouwsector.

24.

Twee beweringen.

1 Het uitbetalen van onderwijspersoneel behoort tot de collectieve uitgaven.

2 Het uitbetalen van WW-uitkeringen behoort tot de collectieve uitgaven.

a)

Alleen bewering 1 is juist

b)

Alleen bewering 2 is juist.

c)

Beide beweringen zijn onjuist.

d)

Beide beweringen zijn juist.

25.

Er is een verschil tussen bedrijven in de particuliere sector en bedrijven in de collectieve sector.

Welke beschrijving is juist?

a)

Bedrijven uit de collectieve sector hoeven geen belasting af te dragen.

b)

Bedrijven uit de collectieve sector willen voornamelijk winst maken.

c)

Bedrijven uit de particuliere sector hoeven geen belasting af te

dragen.

d)

Bedrijven uit de particuliere sector willen voornamelijk winst maken.

26.

Het consumentenvertrouwen kun je met een getal aangeven.

Wanneer is de indicator voor het consumentenvertrouwen 0 (nul)?

a)

wanneer er alleen maar optimisten zijn

b)

wanneer er alleen maar pessimisten zijn

c)

wanneer er evenveel optimisten als pessimisten zijn

d)

wanneer niemand zegt dat de situatie gelijk blijft

27.

Het consumentenvertrouwen is een belangrijke maatstaf voor de ontwikkeling van de consumptieve bestedingen en de bereidheid om te gaan sparen.

Wat is een logisch gevolg als het consumentenvertrouwen daalt?

a)

Dan gaan de consumenten minder besteden én minder sparen.

b)

Dan gaan de consumenten meer besteden én minder sparen.

c)

Dan gaan de consumenten meer besteden én meer sparen.

d)

Dan gaan de consumenten minder besteden én meer sparen.

28.

De overheid kan met behulp van investeringen, bijvoorbeeld de bouw van een brug, de staatsschuld verlagen.

Hieronder staan 3 verschijnselen:

1 belastingafdrachten stijgen

2 omzet stijgt

3 vraag naar goederen stijgt

Zet de verschijnselen in een zodanige volgorde dat een logische gedachtegang ontstaat.

a)

overheidsinvesteringen → 1 → 2 → 3 → staatsschuld verlagen

b)

overheidsinvesteringen → 3 → 2 → 1 → staatsschuld verlagen

c)

overheidsinvesteringen → 2 → 1 → 3 → staatsschuld verlagen

29.

Het begrotingstekort van de overheid wordt beïnvloed door de economische groei. Het ligt voor de hand te veronderstellen dat door economische groei het begrotingstekort zal dalen (een kleiner tekort).

Hieronder staan 3 verschijnselen

1 minder uitkeringen

2 werkgelegenheid stijgt

3 werkloosheid daalt

Zet de verschijnselen in een zodanige volgorde dat een logische gedachtegang ontstaat.

a)

economische groei → 1 → 2 → 3 → begrotingstekort daalt

b)

economische groei → 1 → 3 → 2 → begrotingstekort daalt

c)

economische groei → 2 → 1 → 3 → begrotingstekort daalt

d)

economische groei → 2 → 3 → 1 → begrotingstekort daalt

e)

economische groei → 3 → 1 → 2 → begrotingstekort daalt