Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

examenvoorbereiding havo

Total questions: 25

Worksheet time: 13mins

Name
Class
Date
1.

echter is een signaalwoord voor

a)

opsomming

b)

tegenstelling

c)

oorzaak-gevolg

d)

reden/ verklaring

2.

mits is een signaalwoord voor

a)

toelichting

b)

vergelijking

c)

voorwaarde

d)

conclusie

3.

' met de bedoeling om' is een signaal voor

a)

doel-middel

b)

toelichting

c)

vergelijking

d)

voorwaarde

4.

kenmerken van een informatieve tekst of uiteenzetting zijn

a)

objectief, bedoeld om te informeren, schrijver legt iets uit

b)

objectief, bedoeld om te overtuigen, schrijver geeft zijn eigen mening

c)

subjectief, bedoeld om te informeren, schrijver legt iets uit

d)

subjectief, bedoeld om te overtuigen, schrijver geeft zijn eigen mening

5.

kenmerken van een betogende tekst of betoog zijn

a)

objectief, bedoeld om te informeren, schrijver legt iets uit

b)

objectief, bedoeld om te overtuigen, schrijver geeft zijn eigen mening

c)

subjectief, bedoeld om te informeren, schrijver legt iets uit

d)

subjectief, bedoeld om te overtuigen, schrijver geeft zijn eigen mening

6.

kenmerken van een beschouwende of beschouwing zijn

a)

gedeeltelijk objectief, gedeeltelijk subjectief, bedoeld om lezer te laten nadenken over een kwestie, beargumenteerd standpunt aanwezig

b)

objectief, bedoeld om te overtuigen, schrijver geeft zijn eigen mening

c)

gedeeltelijk objectief, gedeeltelijk subjectief, bedoeld om lezer te laten nadenken, schrijver biedt verschillende kanten van een verschijnsel

d)

subjectief, bedoeld om te overtuigen, schrijver geeft zijn eigen mening

7.

Beste voorbeeld van citeren van een zin

a)

stel ...... samengevat

b)

"Stel, je........ wordt samengevat." r 1 - 3

c)

Stel, je ...... wordt samengevat r. 1-3

d)

"Stel, je ...... wordt samengevat."

8.

In het antwoord op een met-eigen-woorden-vraag mag je geen termen uit de tekst letterlijk overnemen.

a)

juist

b)

onjuist

9.

Bij een met-eigen-woorden-vraag mag je het maximale aantal woorden met tien procent overschrijden.

a)

juist

b)

onjuist

10.

Je citeert nooit meer dan een zin als je de hoofdgedachte van een tekst weergeeft.

a)

juist

b)

onjuist

11.

Een vraag naar de hoofdgedachte kan de vorm hebben van een met-eigen-woorden-vraag, een meerkeuzevraag of een citeervraag.

a)

juist

b)

onjuist

12.

Bij het bepalen van de hoofdgedachte van een alinea of een groepje alinea's let je vooral op de kernzinnen.

a)

juist

b)

onjuist

13.

De kernzin van een alinea staat altijd vooraan (eerste of tweede zin).

a)

juist

b)

onjuist

14.

Bij het bepalen van de hoofdgedachte van de hele tekst let je vooral op de titel, de inleiding en het slot.

a)

juist

b)

onjuist

15.

In een meerkeuzevraag naar de hoofdgedachte van de tekst kunnen ook alternatieven die overeenstemmen met een deel van de tekst, juist zijn.

a)

juist

b)

onjuist

16.

Als gevraagd wordt naar de overkoepelende vraag waarop de auteur in de tekst antwoord geeft, mag je nooit citeren.

a)

juist

b)

onjuist

17.

Soaps kunnen verslavend zijn. Kijk maar naar mijn buurvrouw die van 's ochtends vroeg tot 's avonds laat kijkt.

a)

vergelijking

b)

voorbeeld

c)

gezag of autoriteit

d)

gevolg

18.

Marielle houdt waarschijnlijk niet van 'All you need is love'. Ze heeft immers ook de pest aan al die datingshows op tv.

a)

vergelijking

b)

voorbeeld

c)

gezag of autoriteit

d)

gevolg

19.

De nieuwe roman van Thomas Roosenboom overtreft al zijn eerder werk, zoals de criticus van NRC terecht opmerkt.

a)

vergelijking

b)

voorbeeld

c)

gezag of autoriteit

d)

gevolg

20.

Dat bedrijf moet nodig op zoek naar een fusiepartner; anders gaat het binnen de kortste keren failliet.

a)

vergelijking

b)

voorbeeld

c)

gezag of autoriteit

d)

gevolg

21.

De pleidooien in de Volkskrant voor uitbreiding van de Europese Unie hebben effect gehad, want sindsdien zijn er zes nieuwe lidstaten bijgekomen.

a)

Cirkelredenering

b)

overhaaste generalisatie

c)

vertekenen standpunt

d)

onjuist beroep op een oorzaak-gevolgschema

22.

De winnaar van de dicteewedstrijd heeft acht spelfouten gemaakt. Met het spellingonderwijs is het droevig gesteld.

a)

Cirkelredenering

b)

overhaaste generalisatie

c)

vertekenen standpunt

d)

onjuist beroep op een oorzaak-gevolgschema

23.

Handbal is een vermoeiende sport.

a)

feit

b)

mening

c)

argument

24.

want je moet minstens drie sets lang springen en heen en weer rennen

a)

feit

b)

mening

c)

argument

25.

Bij handbal mag je een speler met je schouder opzij duwen.

a)

feit

b)

mening

c)

argument