wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

WereldWijs - vmbo-t leerjaar 2 - Hoofdstuk 4 herhalingsquiz

Total questions: 25

Worksheet time: 17mins

Name
Class
Date
1.

Welk land is rood ingekleurd?

a)

Egypte

b)

Irak

c)

Israël

d)

Turkije

2.

Welke stad geeft 'a' aan?

a)

Ankara

b)

Teheran

c)

Cairo

d)

Jeruzalem

3.

Welk water geeft '1' aan?

a)

Nijl

b)

Suezkanaal

c)

Middellandse Zee

d)

Rode Zee

4.

Wat is de grootste religie in Israël?

a)

Christendom

b)

Islam

c)

Jodendom

d)

Katholicisme

5.

Op de afbeelding zie je Jeruzalem, de hoofdstad van Israël. Jeruzalem kent Israëlische en Palestijnse nederzettingen. Welke kleur geeft welke nederzettingen aan?

a)

Groen = Israëlische nederzettingen

Geel = Palestijnse nederzettingen

b)

Groen = Palestijnse nederzettingen

Geel = Israëlische nederzettingen

6.

Hoe ontstond het conflict tussen de Joden en de Palestijnen?

a)

De Palestijnen hadden geen eigen staat maar kwamen volgens hun geloof uit Israël. Steeds meer Palestijnen verhuisden naar Israël, waar vooral Joden woonden en kregen steeds meer de drang een eigen staat op te richten. De VN wilde de Joden en Palestijnen beide een eigen gebied geven. De Palestijnen stemden in, de Joden niet en vervolgens brak een oorlog uit waarbij de Palestijnen de staat Israël uitriepen. Sinds die gebeurtenis is er een gevecht tussen de Joden en Palestijnen om wie het gebied krijgt.

b)

De Joden hadden geen eigen staat maar kwamen volgens hun geloof uit Israël. Steeds meer Joden verhuisden naar Israël, waar vooral Palestijnen woonden en kregen steeds meer de drang een eigen staat op te richten. De VN wilde de Joden en Palestijnen beide een eigen gebied geven. De Joden stemden in, de Palestijnen niet en vervolgens brak een oorlog uit waarbij de Joden de staat Israël uitriepen. Sinds die gebeurtenis is er een gevecht tussen de Joden en Palestijnen om wie het gebied krijgt.

7.

Welke van onderstaande stellingen is juist?

a)

Hoe meer en hoe sterker conflictoorzaken aanwezig zijn, hoe groter de kans op een langdurig of gewelddadig conflict is.

b)

Hoe meer en hoe sterker conflictoorzaken aanwezig zijn, hoe kleiner de kans op een langdurig of gewelddadig conflict is.

8.

Wat is een conflict?

a)

Een situatie waarbij er ruzie ontstaat tussen bijvoorbeeld landen, mensen of bevolkingsgroepen. Vaak uit zich dit in het voeren van oorlog.

b)

Een situatie waarbij er ruzie ontstaat tussen bijvoorbeeld landen, mensen of bevolkingsgroepen, waarbij zelden oorlog ontstaat.

9.

Wat is waar over de muur die om de Westelijke Jordaanoever is gebouwd?

a)

Israël heeft deze muur gebouwd om te voorkomen dat de Israëliërs vluchten naar Palestijnse gebieden. De Palestijnen vinden dit oneerlijk en zijn tegen deze muur.

b)

De Palestijnen hebben deze muur gebouwd om de Israëliërs buiten hun gebied te houden en zichzelf te beschermen tegen aanslagen van de Israëliërs. De Israëliërs zien deze muren en hekken als schending van hun rechten en vinden dat de Palestijnen op deze manier geweld uitlokken.

c)

Israël heeft deze muur gebouwd om de Israëliërs te beschermen tegen de aanslagen van de Palestijnen. De Palestijnen zien deze muren en hekken als schending van hun rechten en vinden dat Israël op deze manier geweld uitlokt.

d)

De VN heeft deze muur gebouwd om de Israëliërs en Palestijnen uit elkaar te houden en daarmee de veiligheid in het gebied te vergroten.

10.

Welk soort grensconflict vinden we op de grens van de Verenigde Staten en Mexico?

a)

Beide landen maken aanspraak op hetzelfde grondgebied; Mexico en de Verenigde Staten vinden beide dat ze aanspraak maken op de staat New Mexico.

b)

Een land voert aanvallen uit over de grens; De Verenigde Staten voert aanvallen uit over de grens met Mexico, om Mexicanen buiten te houden.

c)

Illegale migratie; Mexico is armen dan de Verenigde Staten, waardoor veel Mexicanen de grens oversteken op zoek naar werk en een beter leven.

11.

Welk soort grensconflict vinden we in Israël?

a)

Illegale migratie tussen een rijk en arm land

b)

Israël wordt in tweeën gedeeld door een grens

c)

Twee landen maken aanspraak op hetzelfde grondgebied

d)

Een land voert aanvallen uit over de grens

12.

Er bestaan volken die geen eigen staat hebben. Welke twee mogelijke situaties kunnen hieruit ontstaan? Vink de twee goede antwoorden aan!

a)

Het volk gaat in één staat wonen, waardoor er meerdere volkeren in één staat wonen.

b)

Het volk gaat oorlog voeren en neemt zo een land over om daar hun eigen staat van te maken.

c)

Het volk gaat over meerdere staten verspreid wonen, zoals de Roma en de Basken.

13.

Wat is een minderheid?

a)

Het deel van de bevolking dat minder dan de helft van het inkomen van dat land verdient.

b)

Een volk zonder eigen staat dat slechts een klein deel van de bevolking vormt in het land waar ze wonen en dus in de minderheid is.

c)

Een volk zonder eigen staat dat het grootste deel van de bevolking vormt in het land waar ze wonen.

d)

Het deel van de bevolking dat in zeer slechte leefomstandigheden leeft.

14.

Wat kan er gebeuren met minderheden in een land? Let op; er kunnen meerdere antwoorden goed zijn!

a)

De minderheid wordt opgenomen in de bevolking van het land, waarbij de culturen zich vermengen met elkaar.

b)

De minderheid wordt met respect behandeld en kan zonder problemen met de rest van de bevolking samenleven, maar de eigen cultuur blijft gehouden.

c)

Er ontstaan spanningen tussen de minderheid en de rest van de bevolking. Dit kan gebeuren doordat de minderheden meer rechten of zelfstandigheid willen en in opstand komen.

15.

Wanneer is er sprake van cultuurverrijking?

a)

Als je de gewoonten en gebruiken van een andere cultuur overneemt. Denk aan taalgebruik, muzieksoorten en eetgewoonten.

b)

Wanneer je inkomen omhoog gaat en je daardoor meer culturele uitstapjes kan maken, om op die manier je cultuur te verrijken.

c)

Als er meerdere culturen in één land terechtkomen.

16.

Wanneer is er sprake van cultuurbotsing?

a)

Als je het niet eens bent met je eigen cultuur en je botst met je cultuur, vaak met als gevolg dat je een andere cultuur gaat aannemen.

b)

Als de culturele verschillen tussen mensen tot problemen leiden.

c)

Als iemand meerdere culturen kent en die met elkaar botsen, waardoor je als persoon niet weet welke cultuur je moet aanhouden.

17.

Waarom maken sommige mensen tijdens cultuurconflicten gebruik van terrorisme?

a)

Ze hopen hiermee druk uit te oefenen op de andere partij. Ze plegen aanslagen en/of gijzelen mensen en zaaien hiermee angst onder de bevolking.

b)

Dit is een zeer makkelijke manier om het conflict te laten eindigen. De tegenpartij zal bang worden en het conflict tot een einde brengen.

18.

Wat is een etnische groep?

a)

Alle inwoners van een land.

b)

Een groep mensen dat in een land woont met een andere cultuur dan de oorspronkelijke inwoners van dat land.

c)

Een groep mensen die het gevoel hebben bij elkaar te horen en dezelfde afkomst hebben.

19.

Hoe ontstonden de etnische conflicten in Afrika?

a)

Voor de koloniale tijd kende Afrika verschillende landen met elk hun eigen etnische groep. Toen tijdens de koloniale tijd de Europeanen de landsgrenzen veranderden, raakten sommige etnische groepen hun land kwijt aan andere etnische groepen. Omdat zij hiermee hun gezag kwijtraakten en achtergesteld raakten op de andere etnische groepen, groeide bij hun de onvrede. Dit leidde tot conflicten tussen de etnische groepen.

b)

Voor de koloniale tijd kende Afrika geen landen, maar gebieden met etnische groepen. Tijdens de koloniale tijd trokken de Europeanen de landsgrenzen, waardoor meerdere etnische groepen in hetzelfde land kwamen te wonen. Toen de Afrikaanse landen onafhankelijk werden, greep vaak één etnische groep de macht. Omdat zij zichzelf de beste banen en landbouwgebieden gaven, voelden de andere etnische groepen zich achtergesteld. Dit leidde tot conflicten tussen de etnische groepen.

20.

Wat zijn ontheemden?

a)

Mensen die vanwege de onveiligheid in hun land naar het buitenland vluchten.

b)

Mensen die binnen de eigen landsgrenzen op de vlucht zijn.

c)

Mensen die in het land waar ze naartoe gevlucht zijn een verblijfsvergunning aangevraagd hebben.

21.

Wat zijn politieke vluchtelingen?

a)

Mensen die naar het buitenland vluchten en daar in de politiek gaan.

b)

Politici die naar het buitenland vluchten.

c)

Mensen die vanwege de onveiligheid in hun land naar het buitenland vluchten.

22.

Wat zijn asielzoekers?

a)

Mensen die vanwege de onveiligheid in hun land naar het buitenland vluchten.

b)

Mensen die binnen de eigen landsgrenzen op de vlucht zijn.

c)

Mensen die in het land waar ze naartoe gevlucht zijn een verblijfsvergunning aangevraagd hebben.

d)

Mensen waarvoor een nieuw thuis wordt gezocht en in een asiel zitten.

23.

Op welke manieren kunnen conflicten opgelost worden? Vink alle goede antwoorden aan!

a)

De Verenigde Naties en/of individuele landen voeren gesprekken met de strijdende partijen.

b)

Humanitaire interventie; gewapend ingrijpen in een conflictgebied.

c)

Het zelf oproepen van militaire hulp door een van de strijdende partijen.

d)

Het trekken van nieuwe grenzen in het conflictgebied.

24.

Wat is de Verenigde Naties?

a)

Een onafhankelijke partij die alleen landen helpt met het oplossen van conflicten.

b)

Een groep samenwerkende Europese landen die zich inzetten voor veiligheid op de wereld.

c)

193 samenwerkende landen op het gebied van (mensen)rechten, veiligheid, economie en maatschappelijke en culturele ontwikkeling.

d)

Een samenwerkingsverband van alle landen op aarde op het gebied van (mensen)rechten, veiligheid, economie en maatschappelijke en culturele ontwikkeling.

25.

Wat is humanitaire interventie?

a)

Gewapend ingrijpen in een conflictgebied door één of meerdere landen, met als doel een einde maken aan terrorisme.

b)

Gewapend ingrijpen in een conflictgebied door één of meerdere landen, met als doel een einde maken aan vluchtelingenkampen.

c)

Gewapend ingrijpen in een conflictgebied door één of meerdere landen, met als doel een einde maken aan vluchtelingenstromen.

d)

Gewapend ingrijpen in een conflictgebied door één of meerdere landen, met als doel een einde maken aan mensenrechtenschending.